Het nieuwe jaar

door Kees van Duin

Januari begon met het feest van de besnijdenis van Jezus, op de eerste van de maand. Dat is de achtste dag (octaaf) na zijn geboorte, volgens het Joodse gebruik, zo vertelt ons Lk.2,21. Ook werd volgens Joods gebruik dan de naam gegeven aan de pasgeborene. Na het Concilie vieren we op 1 januari het Hoogfeest van Maria, Moeder van God, hoewel de liturgie nog elementen bevat van de drie feesten: besnijdenis, octaaf van Kerstmis en Hoogfeest van Maria. De Anglicaanse kerk viert nog steeds alleen de besnijdenis van Jezus.

De oude Romeinen vierden een andere vernieuwer – in zekere zin – namelijk Janus. Niet die van:”Pak-me-nog-‘n-keer”, maar de Romeinse god met de twee gezichten: één die achteruit kijkt en de ander die vooruit kijkt. De god van de passage, van de transitie, van één toestand naar een ander, van overdracht, van de ene wereld naar de ander, van de deur(ingang). Met twee koppen hoef je niet om te kijken! Op deze manier kan hij situaties van twee kanten bekijken – voor en tegen! Hij is bij uitstek het ”gezicht” van een onbegrensd imperialisme. Zijn heiligdommen zijn bogen (bijv. Janusboog op het Forum Boarium in Rome), poorten, galerijen en passages. Op zijn munten vindt men aan de ene zijde zijn afbeelding (twee koppen) en aan de andere een boot (hij was immers per boot vanuit Thessaloniki in Rome aangekomen).

Ik vind het wel leuk enkele gedachten over ‘‘Oud-en-nieuw’’ te lezen waarin Janus vaak wordt genoemd, in een pas verschenen Italiaans boek: ‘’Brieven aan Seneca over het geluk’’, verzameld door Marcello Veneziani. ‘’Beste Seneca’’, schrijft een vriend, ‘’Ik gooi niets weg van het jaar dat ligt te sterven, om het geluk gunstig te stemmen en om de doorstane plagen te verjagen, en zal met niemand wensen uitwisselen, wang tegen wang. Ik zal eer brengen aan Janus vanwege de jaarwisseling, maar zal in stilte een stap over de drempel van het nieuwe jaar zetten. Ik hoor lawaai in de verte en voorspelbare euforie, alsof het geluk per decreet van de kalender zou zijn af te roepen. Ik wil op de drempel van het nieuwe jaar niet stil staan, beschouwingen houden en balans opmaken van de voorbije, verloren en nog te komen jaren. Het is niet over een oud en afgedankt jaar of over een nieuw jaar dat ik je wil schrijven. Maar van een veel belangrijkere wisseling, waar het sluiten of het openen van de deuren van de Janustempel niet meer voldoende is. Het geloof van onze voorvaderen is niet meer voldoende, de goden zijn moe, je hoort de ademnood en zelfs misschien hun gereutel. De wereld waarin we zijn geboren ligt op sterven.

We vieren Oud-en-nieuw maar het zijn niet de goden die we vieren en evenmin het verbond dat we met hen hebben. We vieren alleen maar onszelf, niet eens onze voorouders, wij alleen, steeds eenzamer, ons leven, onze tafel, ons genoegen, ons hebben en houden en onze inhalige verwachtingen voor het jaar dat komt en dat ons zeker weten weer een jaar ouder maakt”.

Het lijkt me dat Seneca’s vriend zijn eeuw typeert op een manier die wij herkennen. Hij hoeft niet meer mee te maken wat wij meemaken. Misschien ligt zelfs een les opgesloten in deze wijze woorden aan filosoof Seneca. Trouwens wat zou Seneca er op antwoorden? Rome blijft een ondoorgrondelijke traditie te hebben.

Voor ik het vergeet: aan u allen een Zalig Nieuwjaar.