16e Meditatie op het Evangelie door pater Auping

Tijdens het bezoek van pater John Auping SJ uit Mexico – opgegroeid in Joppe – in september 2018 aan onze geloofsgemeenschap om met ons het 150-jarig jubileumfeest te vieren is het idee geboren contact met elkaar te houden. Het voornemen van pater Auping is om ons periodiek, zo eens in de drie weken, een overweging gewijd aan een tekst uit het Evangelie met ons te delen. Wij zijn pater Auping zeer erkentelijk voor dit initiatief en wensen u veel devotie bij het lezen.

Klik hier voor Een Gids voor het mediteren op het Evangelie door pater Auping

De roeping van de rijke jongeman

Matteüs 19,16-29

De roeping van de rijke jongeman door Heinrich Hoffman (1824-1911),  Riverside Church, New York

16 Eens kwam iemand naar Hem toe om te vragen: “Meester, wat voor goed moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?” 17 Hij zeide hem: “Waarom wilt ge van Mij weten wat goed is? Een slechts is er goed. Als gij het Leven wilt binnengaan, onderhoud dan de geboden.” 18 “Welke?” vroeg hij. Jezus antwoordde: “De bekendeGij zult niet doden, gij zult geen echtbreuk plegen, gij zult niet stelen, gij zult niet vals getuigen, 19 eer uw vader en uw moeder en gij zult uw naaste beminnen als uzelf.”  20 Dat heb ik allemaal onderhouden”, verklaarde de jongeman, “waar schiet ik nog tekort?” 21 Jezus sprak tot hem: “Wilt ge volmaakt zijn, ga dan naar huis, verkoop wat ge bezit en geef het aan de armen; daarmee zult ge een schat in de hemel bezitten. En kom dan terug om Mij te volgen.” 22 Maar toen de jongeman deze raad hoorde, ging hij ontdaan heen, omdat hij vele goederen bezat. 23 Nu sprak Jezus tot zijn leerlingen: “Voorwaar, Ik zeg u: voor een rijke is het moeilijk het Rijk der hemelen binnen te gaan. 24 Nog sterker: voor een kameel is het gemakkelijker door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke in het Koninkrijk Gods te komen.” 25 Toen de leerlingen dit hoorden, stonden zij verbijsterd en vroegen: “Wie kan er nu eigenlijk gered worden?” 26 Jezus keek hen aan en zei: “Dit ligt niet in de macht der mensen, maar voor God is alles mogelijk.”  27 Waarop Petrus zeide: “Zie, wij hebben alles prijsgegeven om U te volgen. Wat zullen wij dus krijgen?” 28 Jezus sprak tot hen: “Voorwaar, Ik zeg u: bij de wedergeboorte, wanneer de Mensenzoon zal gezeten zijn op de troon van zijn heerlijkheid, zult ook gij die Mij gevolgd zijt, gezeten zijn op twaalf tronen en heersen over de twaalf stammen van Israël. 29 En ieder die zijn huis, broers of zusters, vader of moeder, vrouw, kinderen of akkers heeft prijsgegeven om mijn Naam, zal het honderdvoudig terugkrijgen en eeuwig leven ontvangen.”

Twee ethische systemen

Het leven volgens de geboden en de navolging van Jezus

Er zijn in het evangelie twee ethische systemen. Het eerste is de ethiek van de tien geboden. Het tweede ethische systeem is dat van de evangelische raden. Laten we beide overwegen, te beginnen met het eerste.

   Jezus citeert (Matteüs 19, 18-19) en geeft een commentaar (Matteüs 5,17-48) op slechts vijf van de tien geboden: het vierde, eer uw vader en uw moeder; het vijfde, gij zult niet doden; het zesde, gij zult geen echtbreuk plegen; het zevende, gij zult niet stelen; en het achtste, gij zult niet vals getuigen. Bovendien heeft hij een commentaar op het gebod dat de samenvatting is van alle tien geboden, namelijk, gij zult uw naaste beminnen als uzelf (Matteüs 5,43-48 en Lucas 10,25-37). De tien geboden vormen als het ware een grens tussen het rijk van God en het rijk van satan. Als men die grens oversteekt, en niet terugkeert, gaat men voor altijd verloren. Daarom heeft deze ethiek de vorm van een verbod en een bedreiging: doe dit kwaad niet, want als je het doet zal je het eeuwig leven niet binnengaan.

   Het tweede ethische systeem in het Evangelie is heel verschillend. Het is de ethiek van de uitnodiging tot gelijkvormigheid met Christus: “Wilt ge volmaakt zijn, ga dan naar huis, verkoop wat ge bezit en geef het aan de armen; daarmee zult ge een schat in de hemel bezitten. En kom dan terug om Mij te volgen.” Dit is geen verplichting, zoals de tien geboden. Het is een uitnodiging waaraan een belofte is verbonden: ‘een schat in de hemel’, geestelijke rijkdom. Voor de mensen die materieel rijk zijn, is het nodig dat ze een deel van hun rijkdom delen met de armen, en zich zo openen voor Gods geestelijke gaven.  

   In verband met Jezus’ uitnodiging aan de rijke jonge man om Hem te volgen bestaat er een misverstand. Ik heb die uitnodiging van Jezus aan de rijke jonge man, in boeken en artikels van theologen, soms als volgt geciteerd gezien: “Wilt ge volmaakt zijn, ga dan naar huis, verkoop wat ge bezit en geef het aan de armen… En kom dan terug om Mij te volgen.” Wat ze niet citeren is: ‘daarmee zult ge een schat in de hemel bezitten’. Maar dat is voor Jezus het belangrijkste deel van zijn uitnodiging! Jezus wil dat sociologische armen én rijken, geestelijk rijk worden met Gods schatten. Voor armen is dat gemakkelijker dan voor rijken, maar het is voor allebei nodig zich van de materiël rijkdom te onthechten en zich te openen voor de gaven en inspiraties van de Heilige Geest. Waarom citeren sommige theologen dat zinnetje van negen woorden ̶ daarmee zult ge een schat in de hemel bezitten’ ̶ dan niet? Waarom schrijven ze daar een aantal puntjes (…) in plaats van de woorden van Jezus volledig te citeren? Was er in het boek of het artikel geen ruimte voor die negen woorden? Dat is natuurlijk niet het geval. Als ze het niet citeren is dat wellicht omdat ze zelf geen ervaring hebben van die hemelse schatten. De mond spreekt waar het hart vol van is. Maar ook: waar het hart leeg van is, zal de mond niet van spreken. Sommige theologen reduceren de navolging van Jezus tot de horizontale dimensie, en laten de verticale dimensie weg. We moeten er naar streven beide dimensies van het christendom in ons leven te integreren.

   Jezus ’verlangen is, dat zowel de sociologische armen als de sociologische rijken allebei rijk worden met een ‘schat in de hemel’. Daarvoor is nodig dat de sociologische armen door hun vertrouwen op Gods voorzienigheid armen van geest worden, en dat de sociologische rijken de liefde met de armen beoefenen door met hen een deel van hun materiële rijkdom te delen. In dat geval kunnen beide groepen rijk worden met een ‘schat in de hemel’. Waar we dat heel goed zien is in het geval van Sint Paulus. Die voelde zich heel rijk, en hij was ook heel rijk, met Gods rijkdommen, namelijk “de rijkdom van zijn glorie” (Romeinen 9,23; Efesiërs 3,16; Kolosesen 1,27); “de rijkdom, de wijsheid en de wetenschap van God” (Romeinen 11,33; Colosesen 2,3); “de rijkdom van zijn genade” (Efesiërs 1,7; 2,7); of in één woord, “de rijkdom van Christus” (Efesiërs 3,8; Filipensen 4,19). Als u de brieven van de H. Paulus leest, is het of u het luxe huis van een miljonair binnenkomt. Wat is die man rijk! Waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over. Eerst was Saulus rijk met zijn eigen, wettiese volmaaktheid, als farizeeër, daarna beschouwde hij die rijkdom als vuilnis en werd hij rijk met de kennis en genade van Christus. Het gaat om een nieuwe, geschonken rijkdom. Hij was:

   “wat ijver aangaat een vervolger van de kerk, in wettiese heiligheid volmaakt. Maar wat winst voor mij was ben ik om Christus gaan beschouwen als verlies. Sterker nog, ik beschouw alles als verlies, want mijn Heer Christus Jezus kennen gaat alles te boven. Om Hem heb ik alles prijsgegeven. Om Christus houd ik alles zelfs voor vuilnis, als het erom gaat Hem te winnen en één te zijn met Hem, niet met mijn eigen gerechtigheid op grond van de wet, maar met de gerechtigheid die verkregen wordt door het geloof in Christus de gerechtigheid die van God komt en steunt op het geloof. Ik wil Christus kennen, ik wil de kracht van zijn opstanding gewaarworden en de gemeenschap met zijn lijden, ik wil steeds meer op Hem lijken in zijn sterven om eens te mogen komen tot de wederopstanding uit de doden. Niet dat ik het al bereikt heb. Ik ben nog niet volmaakt! Maar ik streef er vurig naar het te grijpen, gegrepen als ik ben door Christus Jezus (Filippenzen 3,6-12).

Mijn roepingsgeschiedenis

Nadat Gemma van der Linde mijn 14e meditatie, over de roeping van Matteüs, gelezen had, vroeg zij mij via een e-mail mijn eigen roepingsgeschiedenis te verhalen. Dat zal ik graag doen. Mijn roeping is als die van de rijke jonge man. Het verschil is dat de rijke jonge man uit het evangelie ‘nee’ zei, maar ik zei ‘ja’.

   Mijn eerste Godservaring was op de dag van mijn plechtige Heilige Communie, rond 1955,[1] toen ik alleen naar de kerk in Joppe wandelde. Het was een weldadige ervaring van zijn aanwezigheid en vrede. Daarna had ik vele malen religieuze ervaringen als misdienaar gedurende de mis, ´s ochtends, en gedurende het lof op zondagmiddag.

   In vier Gym, werd ik eens zó diep door God geraakt dat ik begon te denken aan het priesterschap. Het was gedurende een film, in zwart en wit, van slechte kwaliteit, geheten De laatste op het schavot. Het gaat om een film die gebaseerd is op een roman van 1931, van Gertrud von le Fort, Die Letzte am Schafott, waarin 16 Karmelietessen zusters met de guillotine onthoofd worden gedurende de Franse Revolutie. Als ze één voor één het schavot opklimmen zingen ze het Veni Creator.[2] Als laatste ging Blanche, die van karakter heel onzeker en bang was, maar op dit beslissende moment, vol moed en zekerheid.

   Na de film brachten een aantal klasgenoten hun afkeer van die film tot uiting. Ik was de enige die van die film genoten had. Dat lag minder aan de kwaliteit van de film dan aan het feit dat ik door Gods genade geraakt was. Gedurende die laatste scene van de film, gedurende het Veni Creator, werd ik tot overvloedige tranen van troost bewogen.

   In de vijfde en zesde klas van Gymnasium Beta, van het Geert Groote College in Deventer, had ik de gewoonte vóór de aanvang van de klassen, die om half negen begonnen, de mis in de schoolkapel bij te wonen, die om 8 uur begon. Gezien het feit dat het op de fiets, van ons huis in Joppe naar het GGC, een uur rijden was, moest ik om 7 uur het huis uit, onafhankelijk van het feit dat het mooi of lelijk weer was, koud of warm, of het nou regende of niet. Ik herinner me dat ik in één van die missen een buitengewoon diepe en intense Godservaring had die mij tot tranen van troost bewoog en mij ervan overtuigde dat God mij uitnodigde priester te worden.

   Deze Godservaringen waren voor mij een motief om te besluiten priester te worden. Toen ik mijn vader over mijn voornemen inlichtte, was hij blij en suggereerde mij dat priesterschap in de Sociëteit van Jezus gestalte te geven. Hij verborg zijn bewondering voor de jezuïeten niet. Als adolescent had hij op het Canisius College in Nijmegen (een jezuïeten school) gestudeerd en hij las en bewonderde het werk van Teilhard de Chardin. Ik begon toen al een beetje de begrijpen dat de integratie van godsdienst en wetenschap een belangrijk deel van het jezuïeten charisma is. Vlak vóórdat ik intrad bij de jezuïeten, deed hij mij een fotobiografie van Hugo Rahner over Ignatius van Loyola, de stichter van de Sociëteit van Jezus cadeau, die ik in het noviciaat las. Toen ik het sacrament van het vormsel ontving, suggereerde hij mij als vormsel-naam ‘Ignatius’ te kiezen, en zo gezegd, zo gedaan.

   God had mij tot het priesterschap geroepen en dank zij mijn vader was het voor mij van meet af aan duidelijk dat ik mijn priesterroeping in de Sociëteit van Jezus zou concretiseren, al was het Geert Groote College van de Karmelieten, en ging die film van 4 Gym over Karmelietessen. Jaren later zou ik toch ook in mijn geestelijk leven veel van de karmelieten spiritualiteit integreren, zoals men die kan vinden in de geschriften van Johannes van het Kruis en Teresa van Avila, en ook veel van de spiritualiteit van de ‘mystieke incarnatie’ van een Mexicaanse heilige, Concepción de Cabrera. In feit bestaat er maar één weg in het geestelijk leven, namelijk de geleidelijke omvorming van de persoon in Christus, al zullen verschillende auteurs van de geestelijke theologie, in verschillende eeuwen van de geschiedenis van de christelijke spiritualiteit, de nadruk leggen op verschillende etappes van het geestelijk leven, wat niet weg neemt dat iedereen al die etappes moet doorgaan.

   De jezuïeten vorming duurt lang, in mijn geval was het: twee jaar noviciaat, twee jaar filosofie, daarna zeven jaar sociale wetenschappen in Groningen en theologie in Amsterdam. Er waren toen wat moeilijkheden in de kerk van Nederland die mij dikwijls een gevoel van eenzaamheid produceerden. In de mate dat katholieke instituties om mij heen langzaam maar zeker werden afgebroken, werd mijn eigen Godservaring meer en meer de rots waarop ik mijn roeping en geestelijk leven construeerde. Ik ondervond daarbij hulp van mijn geestelijke leidsman, Piet Penning de Vries, die in 1995 overleden is.

   Ik studeerde af in Rome aan de Gregoriaanse universiteit afstudeerde, van 1975 tot 1977, met een doctorale thesis over De invloed van de Godservaring op de afschaffing van de slavernij in Noord-Amerika. Dat boek heb ik daarna in het Engels gepubliceerd als Religion and Social Justice. The Case of Christianity and the Abolition of Slavery in America. Ter voorbereiding van die thesis, deed ik een jaar lang onderzoek in de USA, van half 1973 tot half 1974. Ik reisde 12.000 kilometer, met een Greyhound jaarkaartje, om 36 universiteit bibliotheken en Historische Sociëteiten te bezoeken, waar ik de brieven en autobiografische geschriften van 50 abolitionisten en anti slavery clergyman, en 112 slavenhouders en pro slavery clergyman analyseerde, op zoek naar linguïstische uitdrukkingen van Godservaring. 

   Met toestemming van de Provinciaal, Jan van Deenen, reisde ik een jaar lang in de USA, met slechts 300 dollars die ik nodig had om fotokopieën te maken. Ik wilde uit eigen ervaring nagaan of het waar is dat de goddelijke voorzienigheid voor ons zorgt, als we op Hem ons vertrouwen stellen. Een jaar lang, in 36 verschillende steden, vond ik onderdak en eten, soms op bijna wonderbare wijze. Over hoe het mij ging op die reis heb ik voorbeelden gegeven in de 10de Meditatie op het Evangelie door pater Auping (over Matteüs 6,24-34). Deze vreugdevolle ervaring van Gods voorzienigheid op die reis heeft mij later geholpen in het apostolaat, bijvoorbeeld, toen ik een Centro Comunitario y Cultural bouwde in de armenwijk in het zuiden van Mexico stad, dat zo’n 100.000 euro’s kostte…

   Terwijl ze in Rome mijn thesis publiceerden, van maart tot mei 1977, nam ik de tijd voor een ‘onderscheiding der geesten’, de manier die Sint Ignatius heeft ontworpen om Gods wil te vinden in beslissingen waar er redelijke twijfel bestaat. Ik wilde onderscheiden of Hij mij in Europa (Rome, Nederland) wilde hebben of in Mexico. Ik kende natuurlijk Nederland en Rome uit eigen ervaring, en ik had Mexico wat leren kennen via de informatie die ik kreeg van zo’n tien jezuïeten uit Mexico die toen in Rome afstudeerden. Ik kreeg van hun verhalen de indruk dat het een groot land was, met grote problemen, waar alles op het punt stond te veranderen, politiek, economisch, cultureel en religieus. Ik zag een gelegenheid daar wat aan de weg te timmeren.

   Het resultaat van de acht dagen durende onderscheiding der geesten was dat ik intense en onmiskenbare troost ontving in de optie naar Mexico te gaan, en in de optie in Europa te blijven heel kalm was, maar niet getroost. Ik vroeg toen aan de provinciaals van Nederland en Mexico en aan Pater Arrupe, die toen de generale overste van de Sociëteit van Jezus was, dat zij mij naar Mexico zouden sturen, en zo gezegd, zo gedaan: zij zonden me naar Mexico, waar ik in mei 1977 aankwam. Ik leerde Spaans, in drie maanden (het is een makkelijke taal als je al Frans en Engels kent), en ging in augustus van dat jaar naar Torreón, waar ik op 21 december 1977, het feest van de H. Petrus Canisius, priester gewijd werd. Mijn vader en Piet Penning de Vries waren uit Nederland overgekomen en bij de wijding aanwezig. Na zijn terugkeer naar Nederland vertelde mijn vader aan de eerste minister, Ruud Lubbers, over de sociale werken van de jezuïeten in Torreón. Ruud Lubbers hielp ons toen met een donatie van zo’n 125 duizend euro’s ter ondersteuning van die sociale projecten.
   Ik bleef zeven jaar werken in Torreón en verhuisde toen naar Mexico stad, waar ik tot de dag van vandaag werkzaam ben: economie klassen in de jezuïeten universiteit; psychotherapie aan individuele personen en echtparen in het Centro de Caridad Padre Pro, in de jezuïeten parochie van de Sagrada Familia; Geestelijke Oefeningen in retraitehuizen in verschillende steden n Mexico; sociaal werk onder de armen in het zuiden van de stad; onderzoek en publicaties (ik heb zo’n 33 boeken geschreven, in het Spaans en in het Engels); en, last but not least, soms ben ik ook politiek actief geweest, met goede raad voor de regering én voor de oppositie. Van 1983 tot 1989 was ik diep verwikkeld in de politieke transformatie van het land, via publicaties en door het geven van cursussen over het geweldloze verzet tegen verkiezingsfraude, en meewerkend in een groep mensen die een nieuwe wet voor de verkiezingen schreef. Dat droeg bij aan de transformatie van een autoritair één partij-regime in een echte democratie. Van 1986 tot 1995 was ik diep verwikkeld in het saneren van de federale overheidsfinanciën, via meerdere publicaties in het tijdschrift van het Instituto Mexicano de Ejecutivos de Finanzas, die toen door de economische teams van de presidenten De la Madrid (regeerde van 1982 tot 1988), Salinas de Gortari (1988-1994) en Zedillo Ponce de León (1994-2000) te baat genomen werden.[3]

   Ook is het meerdere keren gebeurd dat ik op mijn weg mensen ontmoette die veroordeeld waren voor een misdaad die ze niet gepleegd hadden, en dan, zoals de barmhartige Samaritaan uit de parabel, mijn normale werkzaamheden wat moest onderbreken om ze te helpen, bijvoorbeeld, in het geval van de bevrijding uit de gevangenis van Déborah, een verhaal dat ik verteld heb in de 9e Meditatie op het Evangelie door pater Auping (over Marcus 9,14-28).

   In 1996, ontving ik mijn tweede doctoraat, in psychotherapie, wat mij veel geholpen heeft om mensen beter te begrijpen en te helpen, in therapie en geestelijke oefeningen. Mijn apostolaat is dus heel gediversifieerd, een beetje in de zin van wat de heilige Paulus zegt:

Van allen onafhankelijk, heb ik mij de slaaf van allen gemaakt, om er zoveel mogelijk voor Christus te winnen. Met de Joden ben ik Jood geworden, om de Joden te winnen; met hen die onder de wet staan heb ik mij aan de wet onderworpen, om de mannen van de wet te winnen, ofschoon de wet over mij geen gezag heeft; met de wettelozen werd ik wetteloos – hoewel niet zonder wet van God en onderworpen aan de wet van Christus – om de wettelozen te winnen. Met de zwakken ben ik zwak geworden, om de zwakken te winnen. Alles ben ik voor allen, om er tot elke prijs enkelen te redden. En ik doe alles voor het evangelie om er ook zelf deel aan te krijgen. Gij weet het: de hardlopers in het stadion lopen allen, maar slechts een wint de race. Loop zo dat ge wint!” (1 Korintiërs 9,19-24).

   Het geld dat ik van mijn vader erfde investeerde ik helemaal in werken voor de armen, in het zuiden van de stad. Mijn vader was als directeur en grootste aandeelhouder van de NV Auping heel rijk, maar tegelijk heel spaarzaam, zodat de erfenis groot was: na de dood van mijn moeder, in 2005, kreeg elk van zijn zes kinderen een zesde deel. Mijn sociale werk voor de armen kennen de mensen in Joppe ook een beetje, dank zij de gulle hulp die zij mij verleenden na mijn bezoek in september 2018, voor de restauratie van door de aardbeving beschadigde woningen van de armen.

   Door zo te handelen, ben ik dus helemaal ingegaan op Jezus’ uitnodiging aan de rijke jonge man. En inderdaad, heeft Hij mij rijk gemaakt met een ‘schat in de hemel’.

   Ik wil dit korte verhaal over mijn jezuïeten priester roeping beëindigen met een anekdote over de dood van mijn vader. In de Heilige Week van 1985, was ik bezig een achtdaagse retraite te geven aan zusters in Ciudad Juarez, in het noorden van het land. Op de derde dag van de retraite, belde de overste van mijn jezuïeten communiteit in Mexico stad mij op, en liet me weten dat mijn moeder hem had opgebeld uit Nederland, hem zeggend dat mijn vader op sterven lag en dat hij mij toestemming gaf hem te bezoeken. Ik liet dit aan de zusters weten, en ze zeiden mij: ‘gaat u maar, pater, we zien wel hoe we de Geestelijke Oefeningen eindigen’. Maar ik antwoordde hen: “Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broeders?” En met een gebaar naar de zusters, voegde ik er aan toe: “U bent mijn moeder en mijn broers; want mijn broer, mijn zuster en mijn moeder zijn zij die Gods woord beluisteren en de wil volbrengen van onze Vader in de hemel.” (Matteüs 12,48-50). En ik voegde er aan toe: ‘ik zal dus pas naar Nederland gaan, nadat ik u de achtdaags retraite volledig gegeven heb’. En ik bleef nog vijf dagen in Ciudad Juarez, tot het einde van de achtdaagse retraite van de zusters. Pas daarna nam ik het vliegtuig en kwam de volgende dag ronde het middageten aan op Jolijt, ons huis in Joppe.

Ik vond daar mijn moeder, mijn broer George, en de dokter van mijn vader. Mijn moeder en de dokter zeiden mij dat het niet goed zou zijn mijn vader op dit moment te bezoeken, want als hij mij zou zien, zou hij denken ‘als mijn zoon mij uit Mexico komt bezoeken, moet ik wel heel erg ziek zijn’, en hij was zo zwak en zo ziek dat hij dan van schrik zou kunnen sterven. Ik zei alleen maar ‘dank u wel voor uw goede raad’. In het algemeen probeer ik discussies te vermijden, al betekent dit niet dat ik altijd doe wat men mij aanraadt. De volgende dag, ging ik vroeg naar het ziekenhuis in Deventer. Toen hij mij zag, schrok mijn vader inderdaad, maar hij ging er niet aan dood. Ik praatte een paar uren met hem, en op het einde van mijn bezoek zei ik hem: ‘Papa, ik heb goed nieuws voor jou, ik zal je nu het sacrament van de zieken geven, en dank zij het sacrament zal je nog vele jaren leven’. Ik gaf hem de sacramentele zalving van de zieken, nam afscheid van hem, en terug op Jolijt zei ik aan mijn moeder en mijn broer: ‘wees maar niet bezorgd, hij zal nog vele jaren leven’. Diezelfde dag in de avond nam ik het vliegtuig terug naar Mexico. Mijn vader werd beter en leefde nog acht jaar. Hij stierf in zijn slaap op 7 maart 1993, op de leeftijd van 85 jaar.

   Nadat ik voor hem in de kerk van Joppe de begrafenis mis celebreerde, en wij hem op het kerkhof van de kerk van Joppe begraven hadden, kwamen we samen voor het begrafenis avondmaal, mijn moeder, mijn broers en zusters en een paar vrienden van mijn vader. Ik was zo vol vreugde dat ik daarmee mijn moeder en broers en zusters aanstak, die ook opgewekt werden. Waarom was ik zo blij? Mijn vader had veel goede werken voor Gods Rijk ondernomen, en ik voelde dat zijn loon in de hemel heel groot zou zijn.

   Terug in Mexico, deed ik op een goede avond de Vespers met de Zusters van het Kruis (Religiosas de la Cruz, gesticht door de Zalige Concepción Cabrera de Armida), in hun klooster, in de straat van Francisco Sosa nummer 105. Dat was zes dagen na de begrafenis van mijn vader. Na de Vespers liep ik naar mijn auto, die ik zo’n 500 meter verder op gestationeerd had. De straat van Coyoacan heeft geen publieke verlichting en het was heel donker. Opeens zag ik dat de hemel openging, en hoe mijn vader door een tunnel van licht de hemel binnenging. Hij was minder dan een week in het vagevuur geweest. Na die dag heb ik nooit meer missen voor hem gelezen. Hij is immers al bij God, voor alle eeuwigheid.

[1] Ik deed mijn eerste communie in maart 1953.

[2] Uit dit werk putte Bernanos in de winter van 1947-1948 stof voor zijn beroemde ‘Dialogues des Carmelites’, oorspronkelijk bedoeld als scenario voor een film, maar daarvoor te moeilijk bevonden, in 1952 opgevoerd als toneelstuk. In 1960 componeerde Poulenc op de tekst zijn gelijknamige opera. In 1960 werd de film gerealiseerd.

[3] Juan Auping Birch, El Costo de la Solución el Problema de la Deuda Externa, IMEF, año XV, no. 6, 1986, blz. 24-43; Plan de Saneamiento Económico, IMEF, Año XVII, no. 2, 1988, blz. 22-114; La Economía Social de Mercado. Su Estructura y Funcionamiento, IMEF, Año XVIII, no. 3, 1989, blz. 30-67; en het boek Las Crisis Sexenales Recurrentes de México, Julio de 1995.

Het verschil tussen een echte, goddelijke roeping en een oppervlakkige keuze

Men moet niet denken dat het priesterschap automatisch een goddelijke roeping is. Er zijn veel mannen die priester worden zonder dat God ze geroepen heeft. Het zijn, in het beste geval, oppervlakkige priesters, niet in staat mensen te helpen bij God te komen, al komen ze hun sacramentele verplichtingen na. In het slechtste geval, kunnen ze later veel schade doen aan de Kerk, bijvoorbeeld als pedofiele priesters. Een ‘goddelijke roeping’ is een roeping die voortkomt uit een persoonlijke Godservaring, een ervaring dat God u uitnodigt deze weg in te slaan en voortkomend uit die bron, zal zo´n priesterschap ook in staat zijn mensen te helpen in contact te treden met de bron van levend water in hun eigen hart.

   Er bestaat ook een roeping tot het huwelijk die van God komt. Ook het huwelijk kan een goddelijke roeping zijn. Dat is een huwelijk waarin zowel hij als zij elkaar kiezen uit liefde tot God. Er is niet alleen een ervaring van liefde van hem voor haar en van haar voor hem, maar een ervaring door God uitgenodigd te zijn om haar of hem lief te hebben. De meeste mensen trouwen zonder zich om die geestelijke dimensie te bekommeren. Dat is een oppervlakkige keuze. De echte en geheel betrouwbare keuze voor priesterschap of huwelijk is gebaseerd op de ervaring door God gekozen te zijn. Een huwelijk dat begonnen is en beleefd wordt als goddelijke roeping heeft grote voordelen, zowel in tegenslagen als in de goede tijden. Zo’n echtpaar is méér in staat trouw te blijven in de moeilijkheden die in elk huwelijk onvermijdelijk zijn. En in de goede momenten helpt hun wederzijdse eenheid elk zich meer met God te verenigen. Er zijn er, zo gezegd, drie die zich in zo’n huwelijk in groeiende mate verenigen: hij, zij en Christus.

   In het geval van een oppervlakkige keuze voor priesterschap of huwelijk, moet men toch proberen trouw te blijven, maar het is geen goddelijke roeping, en zal dus ook niet de geestelijke vruchtbaarheid hebben van een goddelijke roeping, zoals Ignatius van Loyola duidelijk zegt in de Geestelijke Oefeningen:

Heeft men eenmaal een onveranderlijke keuze gedaan, dan is er niets meer te kiezen, want zij kan niet ontbonden worden. Bijvoorbeeld huwelijk, priesterschap, enz. Wanneer iemand niet geordend, zoals het moet, zonder ongeordende neigingen, gekozen heeft, moet men alleen bekijken, dat hij rouwmoedig probeert om in wat hij gekozen heeft een goed leven te leiden. Deze keuze lijkt geen goddelijke roeping te zijn, omdat zij ongeordend en verkeerd is. Zo dwalen velen hierin door van een verkeerde of van een slechte keuze een goddelijke roeping te maken. Elke goddelijke roeping is immers altijd zuiver en klaar, onvermengd met… ongeordende neigingen”.[4]

[4] Ignatius van Loyola, Geestelijke Oefeningen en Geestelijk Dagboek, ingeleid en vertaald door Dr. P. Penning de Vries, no. 172, Lannoo, Tielt, Den Haag, 1966.

Comments

  1. Wat een openhartig verhaal, John Auping.
    Ik moet denken aan een penitentie die pater Johannes, een monnik uit klooster Sion uit Diepenveen me in de jaren negentig eens gaf:
    Jezus, zachtmoedig en nederig van hart, maak mijn hart aan U gelijkvormig.
    Wat zou ik dat iedereen gunnen.

Speak Your Mind

*