Dieren in onze parochie

door Wim Verholt

Op verzoek van een mevrouw, bekijken we eens het leven van de slakken.

Iedereen kent slakken, want ze leven overal. Wereldwijd zijn er ongeveer 65.000 soorten bekend, met een slakkengangetje kruipen ze ons voor de voeten. Ze behoren tot de weekdieren en tot de buikpotigen, hoewel ze geen poten hebben, maar een gespierde onderzijde. Ze leven zowel in water als op het land en ook al is zout meestal dodelijk voor een weke slak, er zijn toch veel slakken die in zeewater leven. Bovendien zijn er soorten die het zonder dak boven hun hoofd moeten doen, de zogenaamde naaktslakken. Veel soorten hebben een fraai gekleurde schelp als huis.

Het merkwaardige is dat bij deze dieren tweeslachtigheid voorkomt, ze kunnen zowel man als vrouw zijn, dit wordt hermafrodiet genoemd. Er zijn planteneters en aaseters onder de slakken, het zijn echte vreetzakken en dat laten ze in onze tuinen duidelijk zien. De meeste zijn landbewoners en dat is een uitzondering bij weekdieren. Hun lichaam bestaat voor een groot deel uit water en de slijmerige huid voorkomt dat ze uitdrogen. Dank zij de slijmerige huid glijden ze over een zelf gemaakte glijbaan.

Het merkwaardige is dat ze over twee soorten slijm beschikken, een voor horizontaal voortbewegen en de andere voor verticaal klimmen. De vochtige huid is niet geschikt voor zon, ze zoeken het liefst schaduw en vochtige plaatsen. Ze hebben voorkeur voor de nacht en dat zien we duidelijk aan onze tuinplanten. Kijk maar eens naar de hosta, die na een bezoek van slakken vol gaten zit.

Een slakkenhuis bestaat meestal uit meerdere windingen en kleuren en is opgebouwd uit kalk.

Alle slakken hebben een langwerpig lichaam dat uit drie delen bestaat; een deel is de gespierde voet voor de verplaatsing, een deel dat de organen bevat en een goed onderscheiden kop. Op de kop zijn twee gesteelde ogen zichtbaar en onder de ogen bevinden zich tentakeltjes die in- en uitgeschoven kunnen worden als tastorgaan. Bij verstoring hebben de slakken de gewoonte deze tastorganen in en uit te schuiven.

Sommige zeeslakken leven ingegraven in de zeebodem, ze  hebben ademhalingsbuisjes die boven de waterbodem reiken zodat ze zuurstof en voedsel uit het water kunnen filteren. Om het voedsel te eten hebben de slakken een rasp-achtige mond, een radula, die uit vele duizenden kleine hoornachtige tandjes bestaat. Je zult maar naar de tandarts moeten! In zee levende slakken worden door kreeften en vissen gegeten. In de zeebodem krioelt het van de slakken. Op de bodem van de Waddenzee leven acht millimeter lange wadslakjes. Per vierkante meter wad kunnen wel tweehonderdduizend slakjes voorkomen.

Slakken dienen zelf ook als voedsel voor andere dieren, zelfs voor mensen. Vooral de wijngaardslak en de segrijnslak wordt voor consumptie gekweekt. De grootste belagers zijn vogels, zoals merels en andere lijsters, kikkers en padden. Egels hoor je  al op afstand smakken als ze een sappige slak oppeuzelen.

Door de mens worden ze bestreden met  giftige korrels en zout, maar dat is een dieronvriendelijke oplossing. Bovendien kunnen we toch niet op iedere slak zout leggen.