
Maandag 27 juli gedenken we Heilige Titus Brandsma.
In 1942 stierf Titus in het concentratiekamp Dachau.
De Bloem in de Zon
Titus Brandsma hield een inleiding en toespraak in april 1938 tijdens studiedagen van de Interdiocesane Jeugdcommissie in Amersfoort. Hij gebruikte het beeld van de bloem als metafoor voor de mens die zich in geloof richt naar God en Christus als de zon.

O. Carm.
‘Laten we ons een ogenblik inleven in iemand die een biddend leven leidt en echt liturgisch leeft.
Hij is als een bloem in de zon.
De bloem zoekt de zon, kan zonder de zon niet tot fleur geraken.
Geur en kleur dankt zij aan de zon.
In een schaduwplek geplaatst kruipt zij naar het licht.
Kan zij het licht niet bereiken, dan kwijnt zij weg en komt niet tot wasdom, niet tot knop of bloem.
Gaat de zon onder, zij sluit haar bloemkelk om die aanstonds weer te openen, als de zon de volgende morgen opgaat.
En hoe hoger de zon stijgt, hoe wijder de bloem haar kelk opent om het volle zonlicht en de weldadige zonnewarmte in te drinken en zichzelf tot vruchtbaarheid te ontwikkelen.
De stralende warmte van de zon breekt de bloemknop open en trekt stamper en meeldraden omhoog vrij in de open lucht. De wind jaagt en draagt het stuifmeel over de velden en maakt dat de ene bloem de andere zaad doet vormen, vruchten doet voortbrengen.
Wat is een bloesem zonder vrucht?
Wat de schoonheid van een bloem die geen zaad kan kweken?
Het bestaan van een bloem is meer dan de luister van één dag”
Uit De Bloem in de Zon (1938)

Als ik U aanschouw
Het gebed van Titus Brandsma, dat hij schreef 12-13 februari 1942
in zijn cel in de gevangenis te Scheveningen.
Als ik U aanschouw
“O, Jezus als ik U aanschouw
Dan leeft weer, dat ik van U hou
En dat ook Uw hart mij bemint,
Nog wel als Uw bijzondere vrind.
Al vraagt mij dat meer lijdensmoed,
Och, alle lijden is mij goed,
Omdat ik daardoor U gelijk
En dit de weg is naar Uw Rijk
Ik ben gelukkig in mijn leed,
Omdat ik het geen leed meer weet,
Maar ’t alleruitverkorenst lot,
Dat mij vereent met U, o God.
O, laat mij hier maar stil alleen,
Het kil en koud om mij heen,
En laat geen mensen bij mij toe.
’t Alleen zijn word ik hier niet moe.
Want Gij, o Jezus, zijt bij mij,
Ik was U nimmer zo nabij.
Blijf bij mij, bij mij, Jezus zoet,
Uw bijzijn maakt mij alles goed.”