Advent

Advent 

Advent betekent: wachten
op ’t komen van het Kind.
Door lange, diepe nachten
alleen met de gedachten
en ’t suizen van de wind.

Advent betekent: waken
tot ’t komen van het Kind.
Met het geloof als baken
het eigen zijn verzaken
en leven met de wind.

Advent betekent: weten
van ’t komen van het Kind.
God heeft ons niet vergeten
maar grote vreugd bemeten
en ons opnieuw bemind.

(uit: Mieke de Jong, Kinderen van mijn hart, Kampen 1988)

In dit gedicht omschrijft de dichteres advent met drie werkwoorden:
wachten, waken en weten.

Advent betekent: wachten op ’t komen van het Kind.
Het eerste van de drie werkwoorden in het gedicht is wachten. Voor mijn gevoel drukt de dichter hiermee uit dat het beslissende in het leven zich niet laat maken. We moeten wachten. Afwachten. We kunnen het niet plannen of met de klok in de hand vaststellen: dan gebeurt het. Zo is het ook met God en de manier waarop Hij zich in ons leven laat ontmoeten. Als we de moed hebben terug te kijken in ons leven en eerlijk zijn, dan blijkt dat die dingen en mensen die in ons leven beslissend waren ons zijn overkomen en we die niet hebben kunnen plannen. Zo ook de momenten waarop we iets hebben ervaren van God. Ook die konden we niet plannen of van te voren organiseren. Meestal wordt dat pas achteraf duidelijk.

Advent betekent: waken tot ’t komen van het Kind.
De tweede strofe voegt aan het wachten het waken toe. Wachten kan iets heel passiefs hebben: lijdzaam afwachten of er nog iets gebeurt. Dit waken wil van ons passieve wachten een actief wachten maken. Zoals gezegd: de beslissende dingen in ons leven overkomen ons en laten zich niet organiseren. Maar dat wil nog niet zeggen dat we geen kansen kunnen missen door niet alert te zijn. Vriendschappen bijvoorbeeld overkomen ons in ons leven, maar als we er niet voor waken kunnen ze voorbijgaan en tot het verleden behoren. Het is ermee, als met het Koninkrijk van God: we kunnen het niet zelf maken, daarvoor is het immers Gods en niet ons Koninkrijk. Toch is dat maar één zijde van de medaille. De andere kant ervan is dat we door ons doen en laten de komst van dat Rijk kunnen vertragen en dwars zitten. Het wachten dat hoort bij de Advent is ook steeds een waken, een actief wachten om ons de mogelijkheden die er zijn niet te laten ontglippen, maar ze te benutten.

Advent betekent: weten van ’t komen van het Kind.
De derde strofe. Deze voegt aan het wachten en het waken van de vorige twee het weten toe. Dat is verrassend. Hoezo weten? Ik denk dat de bedoeling hiervan wel eens zou kunnen zijn uit te drukken dat onze sterke gevoelens er nu ook weer niet voor moeten zorgen dat we ons hoofd niet langer koel houden. Het is mogelijk vurig te hopen en vurig te verlangen en tegelijk ook het verstand erbij te houden. Ook al gaat het in ons geloof vaak om de dingen van boven, daarom wil dat nog niet zeggen dat we niet met onze beide voeten op de grond moeten blijven staan. Hopen is immers altijd een zaak van lange adem. Het is goed daar alert op te zijn en te onderscheiden tussen de geesten en machten die aan ons trekken: zijn ze uit God of zijn ze dat niet? Want gevoel zonder verstand leidt maar al te gauw tot irrationaliteit, zoals het omgekeerde: verstand zonder gevoel er algauw voor zorgt dat het kil en afstandelijk wordt. Als ze hand in hand gaan kunnen hemel en aarde elkaar vruchtbaar ontmoeten. Zo’n ontmoeting, zo’n moment waar die twee elkaar raken, is: Kerstmis. Het feest dat cirkelt rond het geheim, dat God ons bemint.