Tijdens het bezoek van pater John Auping SJ uit Mexico – opgegroeid in Joppe – in september 2018 aan onze geloofsgemeenschap om met ons het 150-jarig jubileumfeest te vieren is het idee geboren contact met elkaar te houden. We mochten vele prachtige uitgebreide overwegingen ontvangen van pater Auping maar we gaan verder in een verkorte vorm.
Wij zijn pater Auping zeer erkentelijk voor zijn inspirerende woorden en
wensen u veel devotie bij het lezen.
Lezingen van zondag 14 april 2024 – Derde zondag van Pasen, jaar B
Viering zaterdag 13 april
19:00 uur : Eucharitieviering m.m.v. het Parochieel koor
Voorganger : pastor J. Baneke

Painted in 1996, Oil on canvas, © Ladislav Záborský artist
Eerste lezing. Handelingen van de Apostelen 3, 13-15. 17-19
In die dagen zei Petrus tot het volk: “De God van Abraham, Isaak en Jacob, de God van onze vaderen heeft zijn dienaar Jezus verheerlijkt, die gij hebt overgeleverd en voor Pilatus verloochend ofschoon deze geoordeeld had Hem in vrijheid te moeten stellen.
Maar gij hebt de Heilige en Gerechte verloochend en als gunst de vrijlating van een moordenaar gevraagd. De vorst des levens daarentegen hebt gij gedood. God heeft Hem evenwel uit de doden doen opstaan; daarvan zijn wij getuigen. Maar ik weet, broeders, dat gij in onwetendheid gehandeld hebt, evenals uw overheden. Maar wat God tevoren had aangekondigd bij monde van alle profeten, dat zijn Messias zou sterven heeft Hij zo in vervulling doen gaan. Bekeert u dus en hebt berouw, opdat uw zonden worden uitgewist.”
Psalm 4, 2. 4. 7. 9 (R. 7b)
Refr. Heer, laat uw licht over ons opgaan.
Als ik U roep, geef mij antwoord,
God, die mij recht verschaft.
Gij, die mij redt uit verdrukking,
wees mij genadig, verhoor mijn gebed! Refr.
Ziet hoe de Heer zijn getrouwen begunstigt:
altijd luistert Hij als ik Hem roep. Refr.
Zegt men: wie brengt ons geluk?
Heer, laat uw licht dan over ons opgaan. Refr.
Als ik mij neerleg slaap ik gerust,
Gij maakt mij vrij van zorgen. Refr.
Tweede lezing. Eerste brief van de heilige apostel Johannes 2, 1-5a
Vrienden, Ik schrijf u met de bedoeling dat gij niet zoudt zondigen. Maar ook al zou iemand zonde bedrijven: we hebben een voorspreker bij de Vader, Jezus Christus, die geheel zondeloos is, die al onze zonden goedmaakt, en niet alleen die van ons maar die van de hele wereld. Hoe weten wij dat wij God kennen? Er is maar een bewijs: dat we ons houden aan zijn geboden. Wie zegt dat hij Hem kent, maar zich niet stoort aan zijn geboden, is een leugenaar; in zo iemand woont de waarheid niet. Maar in een mens die gehoorzaam is aan Gods woord, heeft zijn liefde werkelijk haar volmaaktheid bereikt.
Alleluia Lucas 24, 32
R. Alleluia.
Heer Jezus, ontsluit voor ons de Schriften: doe ons hart branden terwijl Gij tot ons spreekt.
R. Alleluia.
Evangelie Lucas 24, 35-48
In die tijd vertelden de leerlingen wat er onderweg gebeurd was en hoe Jezus door hen herkend werd aan het breken van het brood. Terwijl ze daarover spraken, stond Hijzelf plotseling in hun midden en zei: “Vrede zij u”. In hun verbijstering en schrik meenden ze een geest te zien. Maar Hij sprak tot hen:
“Waarom zijt ge ontsteld en waarom komt er twijfel op in uw hart? Kijkt naar mijn handen en voeten: Ik ben het zelf. Betast Mij en kijkt: een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals ge ziet dat Ik heb.” En na zo gesproken te hebben toonde Hij hun zijn handen en voeten. Toen ze het van vreugde en verbazing niet konden geloven, zei Hij tot hen: “Hebt ge hier iets te eten?” Zij reikten Hem een stuk geroosterde vis aan; Hij nam het en at het voor hun ogen op. Hij sprak tot hen: “Dit zijn de woorden van Mij die Ik tot u sprak, toen Ik nog bij u was: alles moet vervuld worden wat over Mij geschreven staat in de wet van Mozes, de profeten en de psalmen.” Toen opende Hij hun geest voor het begrijpen van de Schriften. Hij zei hun: “Zó staat er geschreven, dat de Christus zou lijden en dat Hij zou opstaan uit de doden op de derde dag, en dat in zijn naam bekering verkondigd zou worden tot vergeving van zonden, aan alle volkeren, te beginnen met Jeruzalem. Gij zijt hiervan getuigen.”
Kort commentaar van Pater John Auping
Het ongeloof van de leerlingen
De reden waarom we in Jezus´ verrijzenis geloven is niet het geloof van de apostelen, maar een historisch feit, namelijk het feit dat Jezus na zijn verrijzenis verschenen is aan tientallen getuigen: María Magdalena; de twee leerlingen van Emmaüs; de tien apostelen (zonder Judas en zonder Tomas); en een week later dezelfde tien apostelen met Tomas; Petrus, Tomas, Natanaël, Johannes en Jakobus en nog twee andere leerlingen, aan het meer van Tiberias; Saulus op weg naar Damascus; en nog vele anderen. Zij geven getuigenis van wat ze gezien hebben, niet van wat ze geloofden vóór ze Hem zagen.
Het evangelie laat zien dat de apostelen, vóórdat ze Jezus zagen, niet in zijn verrijzenis geloofden, zelfs niet nadat de eerste ooggetuigen hun vertelden dat ze Hem gezien hadden, levend en wel. Hij verscheen het eerst, op zondagmorgen, aan María Magdalena (Marcus 16,9; Lucas 24,19; Johannes 20,11-17), maar ze hechtten geen geloof aan haar woorden: “Maar toen die hoorden, dat Hij leefde en door haar gezien was, geloofden ze het niet” (Marcus 16,11); “Maar dat verhaal leek hun beuzelpraat en zij geloofden het niet” (Lucas 24,11). Daarna, op paaszondagmiddag, verscheen Hij aan de twee leerlingen van Emmaüs (Marcus 16,12; Lucas 24,13-32), maar ook hen geloofden ze niet: “Nadat dezen teruggekeerd waren, vertelden ze het aan de overigen, maar zelfs zij werden niet geloofd” (Marcus 16,13). Toen Jezus die zondag, in de avond, aan de tien apostelen verscheen, verweet Hij hen, na de vredewens, hun ongelovigheid:
“Later verscheen Hij aan de elf [1], terwijl zij aan tafel aanlagen. Hij maakte hun een verwijt van hun hardnekkig ongeloof, omdat zij geen geloof hadden geschonken aan degenen die Hem gezien hadden, nadat Hij verrezen was” (Marcus 16,14).
In het geval van Tomas gaat dit ongeloof zo ver dat hij ook zijn tien mede-apostelen niet geloofde toen die hem zeiden dat ze Hem gezien hadden: “De andere leerlingen vertelden hem: ‘Wij hebben de Heer gezien.’ Maar hij antwoordde: ‘Als ik niet in zijn handen het teken van de nagelen zie en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken en mijn hand in zijn zijde leggen, zal ik het niet geloven’.” (Johannes 20,25).
Tomas was boos op Jezus, al vóór het lijden en de dood van Jezus. Toen Jezus naar Betanië wilde reizen, om Lazarus op te zoeken, wezen de leerlingen op het gevaar van deze onderneming. De situatie was heel gespannen en de vijandigheid van de farizeeën en het Sanhedrin heel gevaarlijk. Toen zei Tomas: “Laten ook wij gaan om met Hem te sterven” (Johannes 11,16).
Dit was geen edelmoedig aanbod om de marteldood te ondergaan, maar eerder de ontboezeming van een diep teleurgestelde Tomas, die redeneerde: als toch alles verloren was, en Jezus’ missie mislukt, dan is het maar beter dood te zijn.
Het had allemaal zo veelbelovend geleken, met al die wonderen, maar het was hem inmiddels duidelijk geworden dat het allemaal op niets uit zou lopen. Op het Laatste Avondmaal kwam die ergernis van Tomas opnieuw naar boven: “Tomas zei tot Hem: Heer, wij weten niet waar Gij heengaat: hoe moeten wij dan de weg kennen? ” (Johannes 14,5). Deze teleurstelling en ergernis van Tomas gaan zover dat hij zelfs zijn tien mede-apostelen niet wil geloven als ze hem zeggen dat ze Hem gezien hebben. Het is duidelijk dat Tomas in dit ongeloof tijdelijk het contact met de werkelijkheid verloren heeft. Het is immers niet realistisch te veronderstellen dat, in deze omstandigheden, zijn tien mede-apostelen hem samen zouden bedriegen.
Maar, God zij dank, bleef er in hem een vonkje hoop, zodat hij niet de weg van Judas koos, maar een week later samen met de anderen was. Van de meest ongelovige apostel werd Tomas, na Jezus gezien te hebben, de meest gelovige van de twaalf. Want hij geloofde veel meer dan hij zag: “Toen riep Tomas uit: Mijn Heer en mijn God!” (Johannes 20,28). Wat hij zag was Jezus’ lichamelijke aanwezigheid, wat hij geloofde was dat Jezus God is.
En u, gelooft u het? Sommigen geloven het maar half. Schillebeeckx gelooft niet in de historische interpretatie van de verschijningen van Jezus na zijn verrijzenis[2]. Volgens hem zijn de verhalen van Jezus’ verschijningen een symbolische uitdrukking van het geloof van de apostelen in Jezus’ verrijzenis, toen ze het lege graf zagen. Het getuigenis van de evangelisten weerlegt echter deze interpretatie. Volgens Marcus, Lucas en Johannes geloofden de apostelen niet, zelfs niet nadat ze het getuigenis hadden gehoord van hen die Hem gezien hadden, levend en wel. De enige apostel die het lege graf zag, en toen wél geloofde in Jezus’ verrijzenis, vóórdat hij Hem gezien had, was de evangelist Johannes: “De andere leerling, die het eerst bij het graf was aangekomen, ging naar binnen; hij zag en geloofde” (Johannes 20,8).
Verschillende interpretaties van het verrijzenisgebeuren
In de 19e eeuw verschenen interpretaties van de evangelische passie en verrijzenis verhalen die we kennen als ‘de kritische school’ en ‘de mythologische school’. Volgens Ernest Renan (1823-1892) en Charles Guignebert (1867-1940), twee belangrijke vertegenwoordigers van de kritische school, was Jezus van Nazaret een revolutionaire profeet en een anarchist die in de illusie leefde dat met hem het rijk van God op aarde zou beginnen. Hij werd door de Romeinen geëlimineerd. Het ging hem, zoals het andere revolutionaire profeten ging, bijvoorbeeld, Theudas die in het jaar 44 n. C. een opstand in Jeruzalem leidde, en kort daarna door de Romeinen terecht gesteld; of Simon Bargiora, die Jeruzalem bezette, maar daarna door de legioenen van Titus werd overwonnen en ter dood gebracht, in de jaren 69-71; of de opstand van Simeón Ben-Koseba, die na aanvankelijke overwinningen op de Romeinen, door de hogepriester tot Messias werd gezalfd, en uitgeroepen als Bar-Kochba, maar daarna door de legioenen van Adrianus werd verslagen en gekruisigd, in de jaren 132-135 n. C.
Paul-Louis Couchoud (1879-1959) bekritiseerde de kritische school, op grond van het feit dat zij niet in staat waren uit te leggen hoe het nu mogelijk was dat Theudas, Simon Bargiora en Bar-Kochba geen spoor hebben nagelaten in de geschiedenis, terwijl daarentegen Jezus van Nazaret kort na zijn dood als de verrezen mens-God werd vereerd, en dat nu een derde deel van de mensheid in hem gelooft. Het kan niet zijn dat eenzelfde oorzaak zo totaal verschillende effecten kan hebben. Dit is ook de meer recente en goed beargumenteerde kritiek van Vittorio Messori[3].
Couchoud is de grondlegger van de mythologische school. Volgens deze school, is de oorsprong van de verhalen over Jezus van Nazaret niet een historisch gebeuren, maar een mythe die opkwam onder de naar bevrijding zuchtende armen van Rome in het begin van de tweede eeuw, en daarna in Palestina werd geprojecteerd, alsof het echt gebeurd was. De voornaamste vertegenwoordiger van de mythologische school is de protestantse theoloog Rudolf Bultmann (1884-1976).
Het probleem met de mythologische interpretatie is dat volgens de comparatieve studie van verschillende religies, er op zijn minst een afstand van een eeuw moet bestaan tussen de formulering van een mythe en de zogenaamde historische omstandigheden waar die mythe in geprojecteerd wordt. Exegetische studies hebben echter vastgesteld dat de synoptische evangelies en de Handelingen van de Apostelen in de periode van 50 tot 80 n.C. geschreven werden[4], zo’n 20 tot 50 jaar na Jezus’ dood en verrijzenis.
Bovendien, hebben de studies van de Franse archeoloog, Marie-Joseph Lagrange (1855-1938), gedurende vele jaren gepubliceerd in de Revue Biblique, bewezen dat de evangelische beschrijvingen van de flora en fauna van Palestina, en van bepaalde personen, plaatsen en gebouwen, exact zijn. Bijvoorbeeld, de proconsul Paulus van Cyprus, door Lucas vermeld in Handelingen van de Apostelen 13, blijkt geen mythologische figuur te zijn, maar echt bestaan te hebben, zoals blijkt uit de inscriptie in een steen van de eerste eeuw, gevonden in het westen van Cyprus. Latere ontdekkingen bewezen dat ook Pontius Pilatus geen mythologische figuur is, maar, volgens een in 1961 in Judea gevonden steen-inscriptie, echt bestaan heeft. Alfred Loisy (1857-1940) ridiculiseerde de evangelische beschrijving van de grotten-graven van Lazarus en Jezus, met de ronde steen in de ingang, totdat die grotten-graven door archeologen ontdekt werden in het noord-westen van Jeruzalem, alle van de eerste eeuw.
Volgens de mythologische school was het evangelie van Johannes het eerste van de vier evangelies en het meest mythologische, maar de exegeten hebben vastgesteld dat dit het laatst geschreven evangelie is[5], en de archeologen vonden een zwembad met vijf portalen, door de evangelist beschreven in Johannes 5, dat echt bestaan had, maar in het jaar 70 verwoest was door de Romeinen. Als het Johannes evangelie een rond 200 n. C. geschreven mythe zou zijn, hoe kwam de auteur dan op het idee van een historisch, in het jaar 70 verwoest zwembad in Jeruzalem?
Zo zou ik kunnen doorgaan met vele andere voorbeelden. Vandaag de dag zijn archeologen, exegeten, geschiedschrijvers en theologen het erover eens dat Jezus echt bestaan heeft, al blijven ongelovige en kleingelovige auteurs proberen de verrijzenis en de verschijningen van Jezus na zijn verrijzenis weg te verklaren.
Noch de kritische, noch de mythologische school kunnen een aantal feiten verklaren. Volgen mij, is de meest exacte definitie van het evangelie als literair genre die van John Tolkien (1872-1973), literatuur professor van Oxford van 1925 tot 1959. Wij kennen hem dankzij de door hem geschapen mythe The Lord of the Rings waar een driedelige film van gemaakt is, die velen van ons gezien hebben. Volgens Tolkien, een expert in mythes, is de functie van de mythe het tot uitdrukking brengen van diepe waarheden over de menselijke existentie. In die zin is ook het evangelie een mythe. Maar in tegenstelling tot de mythen die geen historische basis hebben, is het evangelie een mythe geschreven door God in de historische feiten van het leven van Jezus van Nazaret.[6] Het evangelie is een uniek literair genre, namelijk, tegelijk een mythe die ons de diepe betekenis openbaart van ons eigen leven, en een ware geschiedenis, met de feiten van het leven, de dood en de verrijzenis van Jezus van Nazaret. Nadat Tolkien op, een goede avond in september 1931, zijn definitie aan zijn ongelovige en sceptische vriend Clive Lewis (1898-1963) uitlegde, bekeerde Lewis zich tot het christendom en schreef later een essay over deze kwestie[7], en ook andere, heel diepgaande boeken over het christendom[8].
Om deze reden leent het evangelie zich ertoe dat u zichzelf erin kan herkennen, zoals in de meditaties over het evangelie in de Geestelijke Oefeningen van Ignatius de Loyola, want het is het verhaal van uw eigen leven, symbolisch uitgedrukt in de feiten van Jezus’ leven.
[1] Het zijn er maar tien: Judas was er niet bij, want die had inmiddels zelfmoord gepleegd, en ook Tomas was die avond niet met hen.
[2] Zie Edward Schillebeeckx, Jezus het verhaal van een levende, Uitgeverij Nelissen, Baarn, 2000.
[3] Zie Vittorio Messori, Jesus Hypotheses, St. Pauls, 1978; oorspronkelijk in het Italiaans (1976) en in die taal in 2019 heruitgegeven: Ipotesi su Gesú.
[4] Het evangelie van Matteüs (in het aramees) rond het jaar 50 n.C.; het evangelie van Marcus rond 64 n.C.; en de evangelies van Matteüs en Lucas (in het Grieks) en de Handelingen van de Apostelen in de jaren 70 tot 80 n.C.
[5] Geschreven tussen 95 en 100 n.C.
[6] Zie Joseph Pierce, Tolkien, Man and Myth, 1998, blz. 57-60.
[7] C. S. Lewis, “Myth Became Fact”, in: God in the Dock. Essays on Theology and Ethics, Fontana, 1979.
[8] C. S. Lewis, Letters of C. S. Lewis; Mere Christianity; Miracles; Surprised by Joy; The Chronicles of Narnia; The Four Loves; The Great Divorce; The Problem of Pain; The Screwtape Letters.
