Korte bezinning rond psalm 51
Psalm 51 is één van de zeven boetepsalmen. In die psalmen hebben misdaad, straf, berouw en vergeving een belangrijke plaats. De achtergrond van psalm 51 is het verhaal over koning David en Batseba. Zij is de vrouw van Uria, één van Davids beste soldaten. David maakt Batseba zwanger en Uria wordt door David naar de fontlijn gestuurd zodat hij sneuvelt.
De psalmist heeft van dit thema een diepgaande bezinning gemaakt over berouw en vergeving.
In het eerste deel van de psalm komen schuld en boete aan bod. De centrale zin is “Uw woord veroordeelt mij terecht, Gij zijt rechtvaardig.” Na de spijt over wat verkeerd ging en de bede om het kwaad uit te wissen, zegt de psalmist onomwonden dat hij terecht veroordeeld is. Nog even probeert hij zich te verschuilen achter het kwaad dat van generatie op generatie wordt overgedragen. De mens moet tot waarheid komen. Die kennis verkrijg je door het woord van God te overwegen. Het woord dat je gebroken heeft, zal je ook genezen.
In het tweede deel spreekt de psalmist hoopvol over de toekomst. “Geef mij een ander hart, mijn God”, “Schep mij een gereinigd hart”. Na het berouw komt de vergeving als een nieuwe schepping. Je kan dan weer gelukkig zijn, maar je krijgt ook een opdracht. Je moet getuigen van de vergeving en de nieuwe schepping waar maken.
Vaak had het in ons leven anders en beter gekund. We zoeken er excuses voor. Laten we in deze vastentijd vragen naar een ander hart. En als er iets nieuws groeit laten we het dan ook uitdragen.
De profeet Joël roept op tot deze ommekeer.
Naar de lectio van Bisschop Lode Van Hecke

Psalm 51
Wees mij genadig, Gij die genade zijt,
verdelg mijn schuld, in uw barmhartigheid.
Was mij, ik ben vuil van zonde –
wie kan mij vergeven dan Gij alleen?
Ik zie het kwaad dat ik gesticht heb,
overal is het om mij heen.
Tegen uw heiligheid heb ik gezondigd,
wat Gij verafschuwt heb ik gedaan.
Uw woord veroordeelt mij terecht,
Gij zijt rechtvaardig.
In ongerechtigheid ben ik geboren,
in zonde werd ik ontvangen en gedragen.
Nu wilt Gij dat ik tot waarheid kom,
ik hoor uw stem in mijn geweten.
Bedek mijn zonden, was mij schoon
en ik zal worden zo wit als sneeuw.
Spreek uw verlossend woord tot mij,
Gij hebt mij gebroken, Gij kunt mij genezen.
Sluit uw ogen toch voor mijn zonden,
laat ze niet langer voor U bestaan.
Geef mij een ander hart, mijn God,
maak mij nieuw, maak mij standvastig.
Keer U niet af, verstoot mij niet,
neem nooit uw heilige geest van mij weg.
Red mij, en ik kan weer gelukkig zijn,
en ik durf weer vrijuit te leven.
Maak mij tot een teken van uw barmhartigheid,
dat allen die U hebben verloochend
de moed vinden om naar U terug te gaan.
Houd mij niet langer in stomheid gevangen,
of moet ik zwijgen over uw genade?
Geef mij de goede woorden in
om te getuigen van uw vergeving.
Gij vraagt mij niet om gaven en offers.
Als ik, gebroken en vernederd,
mijn hart geopend houd voor U,
is dat mijn offer. Neem het aan.
Uit Huub Oosterhuis en Michel van der Plas Vijftig psalmen