2de Meditatie op het Evangelie door pater Auping

Tijdens het bezoek van pater John Auping SJ uit Mexico – opgegroeid in Joppe – in september 2018 aan onze geloofsgemeenschap om met ons het 150-jarig jubileumfeest te vieren is het idee geboren contact met elkaar te houden. Het voornemen van pater Auping is om ons periodiek, zo eens in de drie weken, een overweging gewijd aan een tekst uit het Evangelie met ons te delen. Wij zijn pater Auping zeer erkentelijk voor dit initiatief en wensen u veel devotie bij het lezen.

Klik hier voor Een Gids voor het mediteren op het Evangelie door pater Auping

De Doop van Jezus

Matteus 3,1-17

Doop van Jezus

1In die tijd trad Johannes de Doper op en predikte in de woestijn van Judea: 2“Bekeer u, want het Rijk der hemelen is nabij.” 3Deze toch is het die de profeet Jesaja bedoelde, toen hij zei: “Een stem van iemand die roept in de woestijn: bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht.” 4Johannes nu droeg een kleed van kameelhaar en een leren gordel om zijn lenden. Zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wilde honing. 5Toen trok Jeruzalem, Judea en heel de Jordaanstreek naar hem uit 6en zij lieten zich door hem dopen, terwijl zij hun zonden beleden. 7Maar toen hij vele Farizeeën en Sadduceeën zag komen om gedoopt te worden, sprak hij tot hen: “Adderengebroed, wie heeft u voorgespiegeld, dat ge de dreigende toorn kunt ontvluchten? 8Brengt dus vruchten voort die passen bij bekering, 9en neemt niet een houding aan alsof ge bij uzelf zegt: Wij hebben Abraham tot vader! Waarachtig, ik zeg u, dat God de macht bezit voor Abraham uit deze stenen kinderen te verwekken! 10Reeds ligt de bijl aan de wortel van de bomen. Elke boom dus die geen goede vrucht draagt, wordt omgekapt en in het vuur geworpen. 11Ik doop u met water, opdat ge u bekeren moogt; Hij die na mij komt, is sterker dan ik, en ik ben niet waardig Hem van zijn sandalen te ontdoen. Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur.12De wan heeft Hij in zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer grondig zuiveren; zijn tarwe zal Hij in de schuur verzamelen, maar het kaf verbranden in onblusbaar vuur.” 13In die tijd kwam Jezus uit Galilea naar de Jordaan tot Johannes om zich door hem te laten dopen. 14Maar Johannes wilde Hem tegenhouden met de woorden: “Ik heb uw doopsel nodig, en Gij komt tot mij?” 15Jezus antwoordde hem: “Laat nu maar; want zo past het ons al wat is vastgesteld te volbrengen.” Toen liet hij Hem toe. 16Nadat Jezus gedoopt was, steeg Hij terstond uit het water. En zie, daar ging de hemel open en Hij zag de Geest Gods neerdalen in de gedaante van een duif en over zich komen; 17en een stem uit de hemel sprak: “Dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie Ik welbehagen heb.”

Johannes de Doper is de Elía die zou komen

In Jezus’ tijd, was in Israel de verwachting rijp dat de Messias spoedig zou komen, en dat zijn komst zou worden voorafgegaan door de wederkomst van Elia, een profeet van de 9e eeuw vóór Christus. In het boek van de Wijsheid van Jezus Sirach, dat dateert uit de tweede eeuw vóór Christus, vinden we een toespeling op deze verwachting dat Elia terug zou keren: “Van u staat geschreven dat gij u gereed houdt voor de vastgestelde tijd” (48,10). Het is daarom dat de priesters en Levieten Johannes de Doper eerst vragen of hij de Messias is, en als hij antwoordt dat hij dat niet is, dan is de volgende vraag, automatisch, of hij Elia is: “toen de Joden uit Jeruzalem priesters en Levieten naar hem toe zonden om hem te vragen: “Wie zijt gij?”, verklaarde hij zonder enig voorbehoud en met grote stelligheid: ‘Ik ben de Messias niet’. Zij vroegen hem: “Wat dan? Zijt gij Elia?” Hij zei: “Dat ben ik niet.” (Johannes 3, 19-21). Hij ontkent dat hij de Elia is die zou komen, maar Jezus bevestigt dat hij het inderdaad is: “Deze is de Elia die zou komen” (Matteus 11,14).

Elia was een machtig profeet, die wonderen deed, en zijn woorden brandden als vuur: “Toen stond Elia op, een profeet als een vuur, en zijn woord brandde als een fakkel. Hij bracht hongersnood over hen en door zijn ijver verminderde hij hun aantal. Krachtens het woord van de Heer sloot hij de hemel en bracht drie maal vuur naar beneden. Wat hebt gij een roem verworven, Elia, door uw wonderdaden! Wie kan erop roemen u te evenaren? Gij hebt een gestorvene opgewekt uit de dood, krachtens het woord van de Allerhoogste. Koningen hebt gij in het verderf gestort en aanzienlijken in hun bed laten sterven. Op de Sinai hebt gij terechtwijzingen gehoord en op de Horeb strafgerichten. Gij hebt koningen gezalfd als vergelders en een profeet als uw opvolger. Gij zijt ten hemel opgenomen in een wervelstorm van vuur. Van u staat geschreven dat gij u gereed houdt voor de vastgestelde tijd, om de toorn te stillen aleer hij gaat woeden, om de harten van de vaders naar de zonen te keren en de stammen van Jakob te herstellen” (Wijsheid van Jezus Sirach, 48,1-10).

Beide profeten waren ascetisch, gekleed in dierenvellen en een leren gordel. Beide profeten confronteerden, zonder vrees, de grote zonden die de koningen van hun tijd begingen, verleid door hun slechte vrouwen (koning Achab en zijn vrouw Izebel; koning Herodes en zijn vrouw Herodias). In beide gevallen was de koning ambivalent. Van de ene kant was hij geneigd naar de profeet te luisteren, van de andere kant liet hij toe dat de slechte vrouw de overhand kreeg. In beide gevallen, probeerde de slechte vrouw de profeet te doden, zonder succes in het geval van Elia, met succes in het geval van Johannes de Doper.

Nadat God, Elia’s gebed verhorend, door middel van vuur uit de hemel het slachtoffer had verteerd, en zo het volk had overtuigd dat Baal een valse god was, en Jahweh de enige, ware God, doodde Elia eigenhandig de 450 profeten van Baal, die hij zojuist ontmaskerd had als valse profeten. Toen Izebel hem om die reden zocht te vermoorden, vluchtte Elia naar de berg Horeb, waar God hem openbaarde dat Hij niet in de rotsen brekende storm was, ook niet in de aardbeving, ook niet in het vuur uit de hemel, maar in het suizen van een zachte bries (1 Koningen 19,11-13). Hier is het duidelijk dat God de gewelddadige houding van Elia corrigeert en hem tot een geweldloze houding beweegt. In het geval van Johannes de Doper, was deze terecht wijziging niet nodig, want, van meet af aan, zag hij af van om het even welke vorm van geweld, net als Jezus. In deze zin bewoog Johannes de Doper zich geheel binnen de radicale geweldloosheid van het Evangelie, welke contrasteert met het geweld dat we vinden in enige episoden van het Oude Testament.

Ook vandaag zijn er profeten die de onderdrukking, het onrecht en de wreedheid van dictators confronteren, en deze onbevreesde confrontatie soms met hun leven betalen. Sinds het Tweede Vaticaans Concilie zijn er in de hele wereld honderden priesters, zusters en gecompromitteerde leken vermoord, in een poging hun profetische stem tot zwijgen te brengen. Een voorbeeld is de recent gecanoniseerde Mgr. Oscar Romero van El Salvador die in 1980 vermoord werd tijdens het vieren van de mis. Mgr. Oscar Romero zei: “El profeta tiene que ser molesto a la sociedad, cuando la sociedad no está con Dios” ofwel “De samenleving zal zich aan de profeet ergeren, wanneer de samenleving niet met God is”.

De grootheid van Johannes de Doper

Jezus heeft veel lof voor Johannes de Doper: “Jezus begon tot de menigte te spreken over Johannes: “Waar zijt gij in de woestijn naar gaan zien? Naar een riethalm door de wind bewogen? Waar zijt gij dan wèl naar gaan zien? Naar iemand in verfijnde kleding? Die verfijnde kleding dragen zijn te vinden in de paleizen der koningen. Waartoe zijt ge dan uitgetrokken? Om een profeet te zien? Inderdaad, zeg Ik u, zelfs meer dan een profeet! Hij is het over wie geschreven staat: ‘Zie, Ik zend mijn bode voor U uit, die de weg voor uw komst zal bereiden’.” (Matteüs 11,7-11).

Jezus bewondert zijn ascetisch karakter en zijn profetisch optreden, maar vooral de wijze waarop hij zijn functie vervult als de degene die de komst van de Messias voorbereidt, “die de weg voor uw komst zal bereiden”. Inderdaad is de nederigheid van Johannes de Doper, die hem beweegt zijn plaats af te staan aan Jezus, voorbeeldig. Johannes de Doper had leerlingen, maar hij kanaliseerde ze naar Jezus, zonder enige jaloersheid (Johannes 1,35-51). Langzaam maar zeker verminderde het aantal leerlingen en doopsels van Johannes de Doper, en namen de leerlingen van Jezus in aantal toe (Johannes 4,1). Johannes de Doper reageerde hierop door heel bewust te bewerken dat Jezus in de waardering van de mensen groter zou worden en hij zelf, kleiner. Er was geen jaloersheid, maar nederigheid en liefde:

Johannes gaf hun ten antwoord: “Een mens kan zich niets toe eigenen, tenzij het hem vanuit de hemel gegeven is. Gij zijt zelf mijn getuigen, dat ik gezegd heb: Ik ben de Messias niet, maar een gezondene om voor Hem uit te gaan. De bruidegom is hij die de bruid heeft, maar de vriend van de bruidegom, die staat te luisteren of hij hem hoort, is al vol blijdschap wanneer hij de stem van de bruidegom verneemt. Zo nu is mijn vreugde en ze is volkomen: Hij moet groter worden maar ik kleiner” (Johannes 3,29-30).

Dat klinkt heel mooi, maar als we zien hoeveel jaloersheid er is tussen mensen, kunnen we iets begrijpen van de grootheid van Johannes de Doper, zijn onthechting, zijn nederigheid, de adel van zijn ziel. Soms kunnen mensen uit afgunst anderen aanvallen en onrecht toedoen. Het evangelie zegt dat de farizeeën uit afgunst Jezus aan Pilatus overleverden. De erfzonde heeft zijn oorsprong in de oerzonde van de gevallen engelen die jaloers waren op God. Het is voornamelijk uit afgunst, dat sommige mensen zo graag kwaad spreken over hun naaste, en zo zelden zich ertoe brengen goede dingen over anderen zeggen, in hun afwezigheid.

De kortsluiting tussen Jezus en Johannes de Doper

Jezus eindigt zijn lofrede over Johannes de Doper met een vreemde kritiek: “Voorwaar, Ik zeg u: Onder wie uit vrouwen geboren zijn, is niemand opgestaan die groter is dan Johannes de Doper. Niettemin is de kleinste in het Rijk der hemelen groter dan hij” (Matteüs 11,11). Er is volgens Jezus iets groters dan groot zijn, namelijk klein zijn! Inderdaad, had Johannes de Doper de verwachting dat de Messias heel groot zou zijn, groter en sterker dan hij zelf (Matteües 3,11). In die zin projecteerde hij zichzelf in de Messias.

De reden waarom Johannes de Doper niet wil dat Jezus zich door hem laat dopen, is dat Johannes de Doper (en niet alleen hij, maar ook de apostelen, en het volk) in Jezus een Messias vinden die niet beantwoordt aan hun verwachtingen. Johannes de Doper verwachtte een machtige Messias, die zou dopen met Geest en vuur, het vuur voor de slechten, en de Geest voor de rechtvaardigen (Matteüs 3,11-12). En niets van dit alles gebeurde: Jezus doopte niet maar liet zich dopen; in plaats van de zondaars met vuur te verbranden, at Hij met ze en bewerkte door zijn barmhartigheid hun bekering; in plaats van de rechtvaardigen in het Rijk Gods rond zich te verenigen, bleven die in hun onbegrip met betrekking tot Jezus’ barmhartigheid buiten (Matteüs 9,12-13).

Deze houding van Jezus veroorzaakte bevreemding in Johannes de Doper. Toen Jezus zich door hem wilde laten dopen, “wilde Johannes Hem tegenhouden met de woorden:“Ik heb uw doopsel nodig, en Gij komt tot mij?” Jezus antwoordde hem: “Laat nu maar; want zo past het ons al wat is vastgesteld te volbrengen.” Toen liet hij Hem toe” (Matteüs 3,14-15). En als Johannes de Doper in de gevangenis hoort wat Jezus allemaal doet, is hij niet onder de indruk, en stuurt Hem zijn leerlingen om Hem te vragen of Hij nu echt de Messias is: “Johannes nu hoorde in de gevangenis over de werken van Christus en liet Hem door zijn leerlingen de vraag stellen: “Zijt Gij de Komende, of hebben wij een ander te verwachten?” (Matteüs 11,2-3).

Deze kritische vraag onthult een echte geloofscrisis van Johannes de Doper. De wonderbare genezingen die Jezus doet, overtuigen Johannes de Doper niet, want al die mensen die genezen worden, bevinden zich aan de rand van de samenleving, en hun genezing verandert die samenleving niet en maken geen eind aan het onrecht en de onderdrukking. De Romeinen blijven de macht hebben, het Sanhedrin blijft de religie manipuleren om haar eigen interesse te dienen. Op die kritische vraag van Johannes heeft Jezus een kritisch antwoord, waarin Hij Johannes de Doper rechtstreeks confronteert: “Jezus antwoordde hun: “Gaat aan Johannes zeggen wat gij hoort en ziet: blinden zien en lammen lopen, melaatsen genezen en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd. Gelukkig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt” (Matteüs 11,4-6).

Gelukkig hij die zich aan Mij niet ergert! Dat zegt Jezus niet alleen aan Johannes de Doper, maar ook aan elk van ons! Misschien denkt iemand die dit leest “maar ik erger mij helemaal niet aan Jezus”. Dat kan zijn, maar het kan ook zijn dat iemand zich niet bewust is hoe hij zich ergert aan Jezus, of aan iets dat eigen is aan Jezus. We zijn soms een beetje gecompliceerd, zoals in het volgende voorbeeld.

Eens gaf ik een retraite, en een van de retraitanten kwam voor een interview, om mij te vertellen hoe het haar ging in de retraite. Ze was zuster, en liet mij weten dat ze veel vrede voelde in de meditaties en dat ze een hekel had aan conflictieve mensen. Ze herhaalde dit meerdere keren, wat mij deed denken dat ze iets aan het verdringen was. Ik suggereerde haar dat ze de volgende meditatie zou doen over hoofdstuk 10 van Matteüs, waar Jezus de apostelen uitzendt en hen voorbereidt op de vele conflicten en vervolgingen die ze zullen moeten ondergaan om zijn naam. In het volgende interview zei de zuster mij dat dit hoofdstuk haar helemaal niet beviel, en haar heel troosteloos maakte. Ik zei haar toen “u ziet hoe u in uw navolging van Jezus bepaalde dingen weglaat die u niet bevallen” en voegde er aan toe: “het probleem is dat we Jezus niet half kunnen volgen: of je aanvaardt en volgt de hele Jezus, met alles wat Hij is en zegt, of je sluit onbewust iets van Hem uit en dan houdt je niets over, een karikatuur van Jezus, maar niet Jezus”.

Ik begon haar toen vragen te stellen over haar jeugd. Ze was de oudste dochter in een familie, waar de vader als ingenieur in een bedrijf werkte, en de moeder werkte in de winkel die aan het huis verbonden was. De moeder gaf soms dingen van de winkel cadeau aan de armen, zonder te eisen dat ze betaalden. Als de vader dat ontdekte, werd hij woedend, schreeuwde tegen haar en sloeg haar. De oudste dochter was getuige van deze scènes, verlamd van vrees. In haar werk als coördinator van de parochieraad, in een kerk in Matamoros, was zij er altijd op uit bepaalde onderwerpen niet toe te laten in de vergadering, wetend dat de autoritaire pastoor heel boos kon worden als die onderwerpen ter sprake kwamen. Haar jeugd ervaring van de interactie van een gewelddadige vader en een door vrees verlamde moeder, die niet wist hoe zich te verdedigen, was de oorzaak van het feit dat deze zuster een ongeordende en onbewuste angst had voor conflicten.

Met deze nieuwe zelfkennis was ze in staat, met Gods genade, haar angst en lafheid te overwinnen, en Jezus te aanvaarden en te volgen zoals Hij is, zonder iets van Hem uit te sluiten, daarbij de bereidheid insluitend om conflicten te leven en te lijden als Hij dat vraagt. Van iemand die zich onbewust ergert aan Jezus’ ogenschijnlijke conflictiviteit, werd de zuster een apostel die in staat is conflicten te leven en te lijden, als dat in het apostolaat nodig is. Dit voorbeeld laat zien hoe we ons onbewust aan Jezus kunnen ergeren, als Hij niet is zoals wij willen dat Hij is. Daarin spelen jeugd trauma’s en karaktergebreken een rol. We zijn soms een beetje gecompliceerd.

Zoiets overkwam ook aan Johannes de Doper: Jezus was niet helemaal zoals hij Hem graag zou zien. Jezus was hem niet groot en machtig genoeg, Hij was te geneigd een marginale rol te spelen in de samenleving, te barmhartig, in één woord: te klein. Daarom zei Jezus hem: “de kleinste in het Rijk der hemelen is groter dan hij” (Matteüs 11,11) en “gelukkig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt” (Matteüs 11,6).

Hier is het goed in mijzelf te keren, heel eerlijk te zijn met mij zelf, en mijn geweten te onderzoeken: zijn er dingen in het Evangelie die ik (onbewust?) uitsluit van mijn navolging van Jezus?

Met Jezus gedoopt worden met de Heilige Geest

Met alles wat er tot nu toe gezegd is, kunnen we beter begrijpen wat Jezus bedoelde toen Hij zei: “Voorwaar, Ik zeg u: Onder wie uit vrouwen geboren zijn, is niemand opgestaan die groter is dan Johannes de Doper. Niettemin is de kleinste in het Rijk der hemelen groter dan hij” (Matteüs 11,11). Jezus doelde op de moeilijkheid die Johannes de Doper had om Jezus te begrijpen en te aanvaarden in zijn klein zijn. Wie is de kleinste in het Rijk Gods? Dat is Jezus. Voor Jezus is dit punt zo belangrijk dat Hij het klein zijn als voorwaarde stelt voor het binnengaan in het Rijk van God, reeds in dit leven. Wie niet klein is kan in dit leven niet binnentreden in het Rijk van God: “In diezelfde tijd richtten de leerlingen tot Jezus de vraag: “Wie is nu wel de grootste in het Rijk der hemelen?” Hij riep een klein kind, zette het in hun midden en zei: “Voorwaar, Ik zeg u: als gij niet opnieuw wordt als de kleine kinderen, zult gij het Rijk der Hemelen zeker niet binnengaan. Wie dus zichzelf gering acht zoals dit kind is de grootste in het Rijk der hemelen” (Matteüs 18,1-4).

Waar heeft Jezus het over als Hij zegt dat wij het Rijk van God zeker niet binnengaan als we niet opnieuw worden als de kleine kinderen? Wil Hij dat we onvoorzichtig zijn als kleine kinderen? Wil Hij dat wij, ofschoon reeds volwassen, gaan afhangen van andere volwassenen, in een infantiele afhankelijkheid? Het is duidelijk dat Jezus dat niet bedoelt. Wat Hij wil zeggen is dat, juist zoals een klein kind van zijn vader en moeder afhangt in alles, en op ze vertrouwt met een grenzeloos vertrouwen, zo moet ieder van ons in alles van God de Vader afhangen, met een grenzeloos vertrouwen. Net zoals een kind er zeker van is dat zijn ouders heel dicht bij hem zijn en zo van hem houden, dat ze hem nooit in de steek zullen laten, zo wil Jezus dat ieder van ons dit beleeft in zijn contact met God: dat Hij heel dichtbij is en zo van je houdt, dat Hij je nooit in de steek laat.

Dit is wat ze zien in de gebeurtenissen na het doopsel van Jezus. In die scène, zien we hoe Jezus klein is: afhankelijk van zijn Vader in de hemel, en aan Hem gehoorzaam. Daarom klinkt de stem van de Vader, die zich ook tot ons richt: “Dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie Ik welbehagen heb” (Matteüs 3,17). Het is alsof de Vader ons zegt “kijk goed hoe Hij is”. In die relatie van Vader en kind, gaat de hemel open en wordt Jezus gedoopt met de Heilige Geest.

We zijn allemaal gedoopt met water, toen we het sacrament van de doop ontvingen. Maar er is een tweede doopsel, dat afhangt van het eerste, namelijk de doop met de Heilige Geest. Dank zij het geloof en het vertrouwen van Gods kleinen, gaat het embryonale goddelijk leven dat in ons gezaaid is in het doopsel, groeien, tot we één zijn met God, met Hem verenigd zoals Jezus.

Men moet dit niet verkeerd verstaan. Iemand zou kunnen denken dat al die kleinen in Gods rijk meer een last dan een hulp voor Hem zijn. Het is andersom. Dit geloof en vertrouwen van de kleinen zijn deugden waaraan God op mysterieuze wijze zijn macht heeft overgedragen. God de Vader bemint zozeer het geloof en het vertrouwen van deze kleinen, dat de personen die deze deugden bezitten, op mysterieuze wijze beschikken over Gods wil, zodat Hij hen geeft wat ze Hem vragen. Die kleinen van God hebben dus veel macht om goed te doen en hun geloof verzet bergen.

Probeer je dat voor te stellen: je staat naast Jezus, na de doop, en hoort die stem van de Vader die jou zegt: “jij bent mijn kind, mijn veelgeliefde, in wie ik mijn welbehagen heb”. Bij die troostende woorden gaat de hemel open en daalt de Heilige Geest over jou neer, jou omvormend in Jezus, de kleinste in het Rijk van God.