9de Meditatie op het Evangelie door pater Auping

Tijdens het bezoek van pater John Auping SJ uit Mexico – opgegroeid in Joppe – in september 2018 aan onze geloofsgemeenschap om met ons het 150-jarig jubileumfeest te vieren is het idee geboren contact met elkaar te houden. Het voornemen van pater Auping is om ons periodiek, zo eens in de drie weken, een overweging gewijd aan een tekst uit het Evangelie met ons te delen. Wij zijn pater Auping zeer erkentelijk voor dit initiatief en wensen u veel devotie bij het lezen.

Klik hier voor Een Gids voor het mediteren op het Evangelie door pater Auping

Ongeloof en onmacht

Marcus 9,14-28; Matteüs 17,20[1] ; Marcus 9,29

Evangelist Marcus

Toen zij weer bij de leerlingen kwamen, zagen zij een grote menigte om hen heen staan, waaronder ook Schriftgeleerden die met hen redetwistten. 15 Zodra al die mensen Hem opmerkten, waren ze verrast en liepen Hem tegemoet om Hem te begroeten. 16 Hij vroeg hun: “Waarom twist ge met hen?” 17 Een uit de menigte gaf Hem ten antwoord: “Meester, ik heb mijn zoon naar U toe gebracht omdat hij in de macht is van een stomme geest. 18 En waar deze hem overweldigt, werpt hij hem tegen de grond, en de jongen krijgt het schuim op de lippen, knarsetandt en wordt helemaal stijf. Nu heb ik uw leerlingen gevraagd hem uit te drijven, maar die konden het niet.” 19 Jezus gaf ten antwoord: “O ongelovig geslacht, hoe lang moet Ik nog bij u zijn, hoe lang nog u verdragen? Brengt de jongen bij Mij.” 20 Ze brachten hem naar Hem, maar zodra de geest Hem zag, liet hij de jongen stuipen krijgen; deze viel neer en rolde over de grond met het schuim op de lippen. 21 Jezus vroeg aan de vader: “Hoe lang heeft hij dit al?” Deze antwoordde: “Vanaf zijn kinderjaren.” 22 Hij heeft hem ook dikwijls in het vuur en in het water geworpen om hem te doden. Maar als Gij iets kunt doen, heb dan medelijden en help ons.” 23 Jezus antwoordde hem: “Wat dat kunnen betreft: alles kan voor wie gelooft.” 24 Ogenblikkelijk riep de vader van de jongen uit: “Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!” 25 Toen Jezus zag dat de mensen te hoop liepen, gebood hij op strenge toon aan de onreine geest: “Stomme en dove geest, Ik gelast je, ga uit hem weg en kom nooit meer in hem terug.” 26 Onder geschreeuw en hevige stuiptrekkingen ging hij uit hem weg; de jongen zag eruit als een lijk, zodat de meesten dachten dat hij dood was. 27 Maar Jezus vatte hem bij de hand richtte hem op; en hij kwam overeind. 28 Toen Hij thuis gekomen was en zijn leerlingen met Hem alleen waren, vroegen zij: “Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven?” 29 Hij antwoordde hun: ‘Om uw gebrek aan geloof. Voorwaar, Ik zeg u: wanneer gij een geloof bezit, ook al is dit klein als een mosterdzaadje, dan kunt ge tot deze berg zeggen: verplaats u van hier naar daar, en hij zal zich verplaatsen. Niets zal u onmogelijk zijn. Dit soort kan door niets anders uitgedreven worden dan door bidden en vasten’.

De onmacht van het ongeloof

De mensen die in dit evangelie optreden hebben een gevoel van onmacht: “ik heb uw leerlingen gevraagd hem uit te drijven, maar die konden het niet” (Marcus 9,18); “zijn leerlingen vroegen Hem: ‘Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven?’” (Marcus 9,28); “Maar als Gij iets kunt doen, heb dan medelijden en help ons” (Marcus 9,22). Dit gevoel van onmacht om grote moeilijkheden te overkomen kan soms bezit nemen van pastorale werkers als ze mensen niet de hulp kunnen verschaffen die hun gevraagd wordt. Ooit zei mij eens een priester (die inmiddels al jaren geleden gestorven is): ‘God heeft ons verplicht het water te ploegen’. Hij bedoelde te zeggen dat zijn pastorale inspanningen weinig resultaten opleverden. Dit gevoel van ontmoediging kan leiden tot compensaties, zoals verslaving aan alcohol, drugs, seks of werk. Mensen kunnen soms heel hard werken voor het Rijk van God, en maar weinig resultaten zien.

   Het is dus niet alleen in het belang van de mensen die problemen hebben en onze hulp vragen, maar het is ook belangrijk voor pastorales werkers, en voor u als u iemand wilt helpen, dat we de oorsprong van deze onmacht bewust worden zodat we er iets aan kunnen doen. Jezus is in zijn diagnose heel duidelijk: onze onmacht komt voort uit ons ongeloof: “ongelovig geslacht, hoe lang moet Ik nog bij u zijn, hoe lang nog u verdragen?”; “Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven?” Hij antwoordde hun: ‘Om uw gebrek aan geloof”: “Wat dat kunnen betreft: alles kan voor wie gelooft” (Marcus 9,23).

Een voorbeeld van kleingelovigheid

Dit ongeloof zit in ons bloed, als een virus. We zijn er ons niet duidelijk van bewust. En het is ook besmettelijk, net als een virus: mensen kunnen elkaar met ongeloof besmetten. Een voorbeeld uit mijn pastorale praktijk kan dit duidelijk maken. Het voorbeeld laat zien hoe pastorale werkers zich van hun kleingelovigheid onbewust zijn en het opgeven. Eens, al wat jaren geleden, nodigden ze mij uit om deel te nemen aan een pastorale vergadering. Het ging over de moeilijkheid om kinderen voor te bereiden op de eerste Heilige Communie. In Mexico is het verboden op de openbare school godsdienst te geven, en in feite wordt godsdienst onderricht alleen gegeven in de parochie en op particuliere scholen. Het is een statistisch geven dat in Mexico slechts 5% van de kinderen naar een katholieke lagere school gaan, en 95% naar de openbare lagere school. Het probleem van deze pastorale vergadering was: hoe komen we nu aan bij die 95% die niet naar een katholieke school gaat? De uitnodigingen die uitgaan van de parochies hebben maar weinig weerklank.

   In een plenaire sessie, nam ik het woord en zei: ‘Mexico heeft in 1981 de internationale mensenrechten verdragen van de ONU, van 1966, geratificeerd, namelijk Het internationaal verdrag inzake civiele en politieke rechten (International Covenant on Civil and Political Rights), en het internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (International Covenant on economic, social and cultural rights). In beide verdragen is er een clausule die zegt dat de ouders het recht hebben dat hun kinderen op school de godsdienstlessen ontvangen die de ouders willen, bijvoorbeeld, katholieke ouders hebben er recht op dat hun kinderen op school katholieke godsdienstlessen ontvangen, enzovoort. De Mexicaanse Constitutie bepaalt dat de nationale wetten van het land veranderd moeten worden,  opdat die in overeenstemming zijn met de internationale verdragen die Mexico heeft geratificeerd. Dus waarom oefent de Kerk geen druk uit op de regering om de nationale wetten te veranderen zodat katholieke kinderen op de openbare school katholieke godsdienstlessen kunnen ontvangen?’ En ik gaf een paar voorbeelden van landen waar de wet bepaalt dat op openbare scholen godsdienstles gegeven wordt, zoals Duitsland en Brazilië.

   De hulpbisschop nam nu het woord en zei ‘Kijk, pater, hier in Mexico is heel het openbare leven voor de godsdienst gesloten’. Hij zei dit op een gedesillusioneerde toon, waarvan hij zichzelf niet bewust was, ofschoon deze ontmoedigde en ontmoedigende toon zijn kleingelovigheid openbaarde. In zijn eigen ogen was hij niet kleingelovig, maar realistisch. Het belangrijkste is wat hij niet zei, wat impliciet bleef in zijn antwoord, en waar hij zich evenmin van bewust was, namelijk dat ‘God niet in staat is in Mexico het openbare leven voor de godsdienst te openen’. Ik antwoordde hem: ‘Ik begrijp wat u zegt, maar wat zegt u nu van het volgende: zou God, die in staat was het graf van Jezus te openen, opdat Hij uit de doden zou verrijzen, in staat zijn het openbare leven in Mexico voor de godsdienst te openen?’ Op deze vraag kreeg ik geen antwoord. Er was een diplomatieke stilte.

   Daarna verdeelden de deelnemers aan deze pastorale vergadering zich in discussie groepen. In mijn groep verzochten ze mij nog eens uit te leggen wat ik in de plenaire sessie gezegd had. Ik legde het toen opnieuw uit en voegde er aan toe dat via een strategie van geweldloos, actief verzet, de Kerk succesvolle druk kon uitoefenen op de regering en het parlement om deze verandering in de wetten ten gunste van godsdienstlessen op openbare scholen te bewerken. Er was een zuster, die als coördinator fungeerde, die van tafel tot tafel ging om te kijken hoe de discussie ging. Bij onze tafel bleef ze wachten tot ik uitgesproken was, en zei toen, op een toon die nauwelijks haar boosheid verborg: ‘Wat fijn dat jullie zo geanimeerd aan het discussiëren zijn, maar het moeten toch wel realistische (haalbare) voorstellen zijn’. Ook deze zuster was zich niet bewust van haar kleingelovigheid. In haar eigen ogen was zij realistisch. Mijn voorstel leek haar niet realistisch te zijn. Ook zij was zich niet bewust van wat impliciet bleek in haar op boze toon geuite kritiek, namelijk: ‘God is niet in staat, via geweldloze acties van de Kerk, het openbare leven in Mexico voor de godsdienst te openen’.

   Dit voorbeeld laat ons zien hoe de hulpbisschop en de zuster kleingelovig waren, maar er niet van bewust waren. In feite is sindsdien het openbare leven ten dele geopend voor de godsdienst: er kunnen nu processies gehouden worden op de openbare weg. Maar nog steeds worden op de openbare scholen geen godsdienstlessen gegeven. De leden van de kerk geloven niet dat dat ‘haalbaar’ is. Deze kleingelovigheid is eerder regel dan uitzondering. Over de hele wereld vinden er pastorale vergaderingen plaats, maar het zijn vaak vergaderingen waar de mensen zich bewegen en praten binnen hun nauwelijks bewuste kleingelovigheid, en zo verlamd raken als ze een berg van moeilijkheden zien.

   Om in te grijpen in de geschiedenis van personen, families, dorpen, steden en landen, heeft God ons geloof nodig. Ons ongeloof maakt niet alleen óns machteloos, maar ook God zélf. Door ons ongeloof maken wij God machteloos! Hij respecteert onze vrijheid niet op Hem te vertrouwen. Dat is wat Marcus zegt over Jezus’ optreden in Nazareth: “Hij kon daar geen enkel wonder doen… en Hij stond verwonderd over hun ongeloof” (Marcus 6,5-6).

   Om veranderingen op nationaal niveau te produceren, in de richting van Gods komende rijk op aarde, is dikwijls het geloof van één persoon niet genoeg. Er is een kritische massa nodig, laten we zeggen, van ongeveer tien mensen met geloof om zo’n verandering te verkrijgen. Het is analoog aan het verhaal van Sodom en Gomorra waar God de gerechtigheid en het geloof van tien mensen nodig had om beide steden te redden: “Abraham zei: `Laat mijn Heer niet kwaad worden, als ik nog een keer spreek; misschien zijn er maar tien te vinden.’ En Hij zei: `Ik zal de stad niet verwoesten, omwille van die tien’.” (Genesis 18,32). 

Door geloof bezield gebed

   Er zijn in Marcus wat geloof betreft, drie varianten:
‘ongeloof’ (in Grieks: απιστις, apistis);
‘kleingelovigheid’ (in Grieks: ολιγοπιστις, oligopistis); en
‘geloof’ (in Grieks: πιστις, pistis, of het werkwoord ‘geloven’: πιστευω, pisteuo). Hebben we geen geloof, dan doet God niets; hebben we weinig geloof dan doet Hij weinig, en hebben we veel geloof dan doet Hij grote dingen. Daarom insisteert Jezus dat Hij ons geloof nodig heeft.
Dat is wat Marcus laat zien in Jezus’ dialoog met de vader van de epilepticus: “’Maar als Gij iets kunt doen, heb dan medelijden en help ons.’ Jezus antwoordde hem: ‘Wat dat kunnen betreft: alles kan voor wie gelooft”  (Marcus 9,22-23); en ook ’s avonds, in de dialoog met de apostelen: “Toen Hij thuis gekomen was en zijn leerlingen met Hem alleen waren, vroegen zij: ‘Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven?’ Hij antwoordde hun: ‘Om uw gebrek aan geloof. Voorwaar, Ik zeg u: wanneer gij een geloof bezit, ook al is dit klein als een mosterdzaadje, dan kunt ge tot deze berg zeggen: verplaats u van hier naar daar, en hij zal zich verplaatsen. Niets zal u onmogelijk zijn. Dit soort kan door niets anders uitgedreven worden dan door bidden en vasten’” (Marcus 9,28-29 en Matteüs 17,20).

   In Marcus zegt Jezus dat we gebed nodig hebben, in Matteüs zegt Hij dat we geloof nodig hebben. Het is niet zo, dat de beide evangelisten elkaar tegenspreken, want gebed en geloof gaan onafscheidelijk samen. Wat we nodig hebben is een door geloof bezield gebed. Gebed en geloof zijn als lichaam en ziel. Een gebed zonder geloof, een stroom van lege woorden, is een kadaver: “Als gij bidt, gebruik dan geen omhaal van woorden, zoals de heidenen, want deze menen dat zij door hun veelheid van woorden verhoring zullen vinden. Volgt hun voorbeeld dus niet na, want voordat gij Hem vraagt, weet uw Vader wat gij nodig hebt” (Matteüs 6,7-8). En omgekeerd, een intellectueel geloof zonder gebed, een serie geloofsovertuigingen van mensen die zich niet compromitteren met de problemen die hen omringen, is als een geest die zich niet incarneert in de werkelijkheid, een nutteloos geloof. Maar als u tegenover een berg van moeilijkheden staat en dan bidt en uw gebed is door geloof bezield, dan “dan kunt u tot deze berg zeggen: verplaats u van hier naar daar, en hij zal zich verplaatsen” (Matteüs 17,20), want “alles kan voor wie gelooft” (Marcus 9,23).

   In het tegenovergestelde uiterste van de kleingelovigheid die we zojuist hebben leren kennen, staat het geloof dat bergen verzet, gecombineerd met de ‘geanticipeerde dankbaarheid’:

Jezus antwoordde hun: “Hebt geloof in God. Voorwaar, Ik zeg u: Als iemand tot deze berg zegt: Hef u op en stort u in de zee, en als hij in zijn hart niet twijfelt, maar gelooft dat gebeuren zal wat hij zegt, voor hem zal het werkelijkheid worden. Daarom zeg Ik u: Alles wat ge in het gebed vraagt, gelooft dat ge het al verkregen hebt, en ge zult het verkrijgen” (Marcus 11,22-24).

   De woorden “alles wat ge in het gebed vraagt, gelooft dat ge het al verkregen hebt, en ge zult het verkrijgen” doelen op wat in de morele theologie “geanticipeerde dankbaarheid” heet. Het vertrouwen op God is bij het beoefenen van deze deugd zó groot dat de persoon, in plaats van iets aan God te vragen, Hem bij voorbaat dank zegt voor wat Hij zal geven, met zo’n grote zekerheid dat de persoon er niet aan kan twijfelen, alsof God het hem al gegeven heeft.

   Zo zingt Maria uit dankbaarheid, vóórdat ze ook maar iets van Jezus’ optreden heeft gezien:

Elisabet werd vervuld met de heilige Geest en riep met luide stem uit: … Zalig zij die geloofd heeft, dat tot vervulling zal komen wat haar vanwege de Heer gezegd is… Maria sprak: ‘Mijn hart prijst hoog de Heer, van vreugde juicht mijn geest om God mijn redder: daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid zijner dienstmaagd. En zie, van heden af prijst elk geslacht mij zalig omdat aan mij zijn wonderwerken deed, Die machtig is, en heilig is zijn Naam”(Lucas 1,41.45.46-49).

Zo zegt Jezus dank aan zijn Vader vóórdat Hij Lazarus uit de doden opwekt:

Jezus sloeg de ogen ten hemel en sprak: ‘Vader, Ik dank U dat Gij Mij verhoord hebt. Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoort, maar omwille van het volk rondom Mij heb Ik dit gezegd, opdat zij mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.’ Na deze woorden riep Hij met luider stem: ‘Lazarus, kom naar buiten!’ De gestorvene kwam naar buiten, voeten en handen met zwachtels omwonden en met een zweetdoek om zijn gezicht. Jezus beval hun: ‘Maakt hem los en laat hem gaan’.” (Johannes 11,41-44).

Een voorbeeld van door geloof bezield gebed en “geanticipeerde dankbaarheid”

In wat volgt geef ik een voorbeeld van dat geloof dat bergen verzet, met de beoefening van die geanticipeerde dankbaarheid, in het geval van de bevrijding van Déborah.[2]

   In augustus 2011, vertelde Yazmín[3] mij dat Déborah Martínez Galván[4], de zuster van haar vriendin Dalila, in de gevangenis zat in afwachting van het vonnis van de rechter. Déborah was ervan beschuldigd dat ze op 26 december 2009 haar verloofde (Marcos Martínez Rodríguez) vermoord had. Alle drie de jonge vrouwen waren werkzaam als hostesses op evenementen. De familie van Déborah was optimistisch, want de verdediging door de advocaten was heel soliede. Ik las die verdediging, van ongeveer honderd bladzijden, die inderdaad heel goed was en mij ervan overtuigde dat Déborah onschuldig was. Maar ik zelf was toch niet optimistisch, omdat er inmiddels al drie veroordelingen hadden plaatsgevonden, namelijk, ten eerste, de beschuldiging door de politie van onderzoek van het Ministerio Público en de lokale procureur van justitie (Freda Espinosa de la Selva); ten tweede, Déborah’s opsluiting in de gevangenis, gedicteerd door de rechter (Nelly Yvonne Cortés Silva), in afwachting van het definitieve vonnis; en ten derde, het feit dat de rechtszaal nummer zeven van het hooggerechtshof het beroep verworpen had dat door Déborah’s advocaten gedaan was tegen het besluit van de rechter haar op te sluiten in afwachting van het definitieve vonnis. Ik bereidde de familie van Déborah er op voor dat het vonnis van de rechter, dat eind november 2011 verwacht werd, negatief zou zijn, maar dat ze de moed niet moesten opgeven. Inderdaad werd Deborah eind november door de rechter tot 27 jaar gevangenisstraf veroordeeld. Dat iemand na vier respectieve veroordelingen toch nog zal worden vrijgesproken door het hooggerechtshof, afgezien van de vraag of zo iemand schuldig of onschuldig is, heeft een statistieke waarschijnlijkheid van een op twintig duizend.

   Om deze berg van statistieke onwaarschijnlijkheid van Déborah’s vrijspraak te overkomen, hadden zowel Déborah als ik een geloof nodig dat bergen kon verzetten. Ik zocht eind november mijn vriend Jesús González Schmal op, een advocaat die de magistraat-president van de rechtszaal zeven van het hooggerechtshof kende (Javier Ayala Casillas) en ik verzocht hem de magistraat-president op te zoeken om hem te vragen in zijn kerstvakantie het vonnis van de rechter en de verdediging van de advocaten te lezen. Dit lijkt een vreemd verzoek te zijn, maar het heeft zin, als u in aanmerking neemt dat, gemiddeld, elk van de drie magistraten van een rechtszaal van het hooggerechtshof (de andere twee van de zevende zaal waren Raúl Campos Rábago en Rafael Guerra Álvarez), elke werkdag (van maandag tot vrijdag) vijf dossiers moet lezen, van 500 tot 1000 bladzijden, dat zijn dus gemiddeld bijna vierduizend bladzijden per magistraat, per dag. Al hebben ze assistenten, ze hebben geen tijd om het allemaal zelf te lezen en om na te gaan of wat die assistent zegt ook juist is. En de assistent baseert zich in het algemeen op het vonnis van de rechter, en de rechter baseert zich in het algemeen op de beschuldiging van de lokale procureur van justitie van het Ministerio Público. Jesús González Schmal zocht Javier Ayala op en gaf hem een kopie van het dossier, en deze was zo goed gedurende zijn kerstvakantie het dossier van Deborah te lezen.

   Ik zocht Déborah op in de gevangenis. Ik sprak haar moed in en liet haar weten dat ik zelf een en ander zou onderzoeken. Ook gaf ik haar een boekje met door mij geschreven meditaties. In de gevangenis bad Déborah iedere avond een uur, aan God vragend iemand op haar weg te plaatsen die haar uit de gevangenis kon bevrijden. Ik begreep dat mijn interventie Gods antwoord op haar gebed was. Dit motiveerde mij om een en ander verder te onderzoeken, want er ontbraken gegevens.

   Dit onderzoek deed ik in de maanden januari en februari 2012. Op een goede avond, begin januari, toen ik reeds in mijn bed lag, zag en voelde ik op een of andere manier dat María aan God de Vader de bevrijding van Déborah vroeg, en dat Hij zei “zo zij het”. Na deze ervaring, ook al probeerde ik aan God te vragen dat Hij Déborah zou bevrijden, lukte mij dit niet. Ik was zo vervuld van dankbaarheid dat God besloten had Déborah te bevrijden, dat ik niet anders kon dan Hem daarvoor te danken, al was een en ander hier op aarde nog niet gebeurd. Het gaat hier om de ‘geanticipeerde dankbaarheid’ waar ik het hierboven over had. Ik voelde bij deze dankzegging zoveel troost van de Heilige Geest, dat ik dagen achtereen huilde van troost, op straat, in de kerk, in restaurants, en thuis. Toen onze buren mij eens huilend op straat tegenkwamen, werden ze wat ongerust en vroegen aan pater Carlos Brand Ramírez, een lid van de jezuïeten kommuniteit waar ik toe behoor, wat er met mij aan de hand was. Hij antwoordde hun dat ze zich maar geen zorgen moesten maken, dat ik huilde van troost.

   Ik wist van Déborah dat zij op 26 december 2009 op bezoek was bij haar verloofde, dat er die avond een een drugsdealer uit Guadalajara (Oscar) op bezoek was die Marcos amfetamine verkocht (hij verkocht in zijn vrije tijd drugs), en dat veel later in de avond vier jonge mannen, van wie zij er twee kende van het fitnesscentrum Gym 24 Horas, (Alfredo Olazcoava en Oscar Chirinos) zich de toegang forceerden tot het appartement. De leider van deze vier, was Alfredo die bevel gaf aan zijn ayudanten de drie aanwezigen met plakband op de ogen en de mond, en rond de voeten en handen, vast te binden. Daarna nam Alfredo een dolk en vermoordde Marcos. Hij probeerde ook Déborah te vermoorden, met twee japen in haar keel, maar al bloedde zij hevig, haar halsader en luchtpijp werden niet doorgesneden en ze overleefde de aanval.

   In een tweede bezoek aan Déborah in de gevangenis, vroeg ik haar waarom ze als partner een jonge man had aanvaard die drugdealer was en veel ondeugden bezat. Haar antwoord: ‘ik had hem lief’. Mensen hebben soms een blinde vlek als het om verliefdheid gaat. Ik legde haar uit dat de liefde sterk moet zijn en een doordringende blik moet hebben, en dat een zwakke en blinde liefde geen liefde is, maar zwakheid. 

Diezelfde nacht dat haar verloofde vermoord was, had Déborah zelf de politie opgebeld, en toen die kwam, had zij de politie de namen van Alfredo Olazcoava en Oscar Chirinos gegeven, de twee jonge mannen die zij herkend had. De politie van onderzoek had beide mannen gezocht op hun werk en woonadres, maar beiden waren voortvluchtig. Toen de politie de moordenaar en zijn medeplichtige niet vond, besloot de lokale procureur Déborah van de moord te beschuldigen, er aan toevoegend dat zij zelf zich die diepe wonden in haar hals had toegebracht. Men moet hierbij in aanmerking nemen dat in Mexico het Ministerio Público bekend en gevreesd is door zijn onbekwaamheid, zijn willekeurigheid, zijn onrechtvaardigheid en zijn corruptie.

   De advocaat van Déborah (Sergio López Jaimes) informeerde mij dat iemand hem gezegd had dat Marcos met iemand gevochten had, niet lang vóór de moord op Marcos, in het Table Dance Excess, in Insurgentes Sur, om de voorkeur van een danseres te winnen. Ik onderzocht wie de fotograaf was die foto’s maakte van de danseressen in Table Dance Excess (Victor González), en waar zijn fotostudie was (in de Colonia Condesa). Ik zocht hem op in zijn studie en hij vertelde mij dat El Vaquero ooggetuige was geweest van die ruzie. El Vaquero was stripper in Women’s Club in Insurgentes Sur. Ik beveelde mij opnieuw aan de goddelijke voorzienigheid aan, en onderzocht waar El Vaquero woonde en werkte. Op een goede avond, onderschepte ik hem in de ingang van Women’s Club. We spraken af elkaar de volgende dag te zien in een restaurant dicht bij Gym 24 Horas. Zijn echte naam was Arturo Martínez Mena.

   Arturo vertelde mij niet alleen dat hij ooggetuige was geweest van de ruzie tussen Marcos en Alfredo, op 19 december 2009, in Table Dance Excess, maar ook dat twee dagen na de moord, Afredo hem via zijn mobiele telefoon had opgebeld (ze waren vrienden) en hem had laten weten dat hij Marcos en Déborah om zeep gebracht had[5], en dat hij was ondergedoken opdat de politie hem niet zou vinden. Ik had inmiddels ontdekt dat Alfredo Olazcoava zelf in februari 2010 vermoord was en dat de politie zijn kadaver gevonden had in een op straat verlaten Nissan. Ik liet dit aan Arturo weten, opdat hij niet bang zou zijn voor een mogelijke wraak name van de moordenaar, en overtuigde hem ervan dat zijn getuigenis beslissend was voor de bevrijding van Deborah, van wie hij wist dat ze onschuldig was. Ik verzocht hem in zijn eigen handschrift op schrift te stellen wat hij wist. Hij voldeed aan mijn verzoek, en ondertekende het geschrift, er zijn adres en mobiele telefoonnummer aan toevoegend. Via Jezus González Schmal en Sergio López Jaimes overhandigde ik dit getuigenis aan de drie magistraten van de zevende rechtszaal van het hooggerechtshof.

   Op 12 april 2012, spraken de drie magistraten haar unaniem vrij. Toen Déborah, Yazmín en ik daarna de drie magistraten van het hooggerechtshof opzochten om ze te bedanken, zei de magistraat-president mij, op het moment van de begroeting, met tranen in de ogen “pater, u had gelijk”.

Toen ik dit verhaal aan een vriend van mij vertelde, Javier Villarreal Boone, die pyscho-analyst is en niet in God gelooft, zei deze mij “jij deed alles”. Ik zie dat anders. Al is het waar dat mijn bijdrage aan de bevrijding van Déborah beslissend was, het is ook waar dat Gods hulp beslissend was. In beide gevallen was ieders respectievelijke bijdrage noodzakelijk, maar in zichzelf niet genoeg. Ignatius van Loyola, de stichter van de Jezuïeten, zegt dat als volgt:    

U moet zó op God vertrouwen, alsof alles van Hem afhangt, en tegelijk u zó inspannen, alsof alles van u afhangt.” Het is mysterieus, maar beide dingen zijn tegelijk waar.

Dit is het moment in de overweging waarop u in zichzelf kunt keren, om u af te vragen ‘hoe heb ik mij gedragen toen ik in mijn leven tegenover onoverkomelijke moeilijkheden stond?’ Misschien zat u tussen geloof en ongeloof in, een kleingelovige, zoals Petrus.

In dat geval kan het ons troosten dat God de kleingelovigen niet in de steek laat: ““Heer”, antwoordde Petrus, “als Gij het zijt, zeg mij dan dat ik over het water naar U toe moet komen.” Waarop Jezus sprak: “Kom!” Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe. Maar toen hij merkte hoe hevig de wind was, werd hij bang; hij begon te zinken en schreeuwde: “Heer, red mij!” Terstond stak Jezus zijn hand uit en greep hem vast, terwijl Hij tot hem zei: “Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld?”” (Matteüs 14,28-31). Als u die ondeugd van kleingelovigheid hebt, verwerk dan berouw, gaat u dan biechten en bereid u zo voor op de volgende gelegenheid, die Gods genade toelaat, van schijnbaar onoverkomelijke moeilijkheden, opdat u de volgende keer die berg door uw geloof in zee kunt storten (Marcus 11,23-24).

  1. Ik vul de tekst van Marcus aan met vers 17,20 van hetzelfde verhaal in de versie volgens Matteüs, die ingevoegd moet worden in vers 29 van de versie volgens Marcus.
  2. Wat nu volgt is een samenvatting van John Auping Birch SJ, La liberación de Déborah, México, 2013.

  3. Yazmín Reyes Rivas was een jonge vrouw die ik gedoopt had, de eerst communie gegeven had, geholpen had bij het voltooien van de middelbare school, en geholpen had in haar werk.

  4. In Mexico hebben de mensen twee achternamen, die van hun vader en die van hun moeder.
  5. In het Spaans waren zijn woorden: “ya le di en la madre a Marcos y a su vieja”.

Heeft u vragen over de tekst of wilt u iets delen met pater Auping, dan schrijft u naar pater Auping:  [email protected]