10e Meditatie op het Evangelie door pater Auping

Tijdens het bezoek van pater John Auping SJ uit Mexico – opgegroeid in Joppe – in september 2018 aan onze geloofsgemeenschap om met ons het 150-jarig jubileumfeest te vieren is het idee geboren contact met elkaar te houden. Het voornemen van pater Auping is om ons periodiek, zo eens in de drie weken, een overweging gewijd aan een tekst uit het Evangelie met ons te delen. Wij zijn pater Auping zeer erkentelijk voor dit initiatief en wensen u veel devotie bij het lezen.

Klik hier voor Een Gids voor het mediteren op het Evangelie door pater Auping

Gods voorzienigheid

Matteüs 6,24-34

Evangelist Matteüs

Niemand kan twee heren dienen: hij zal de een haten en de ander liefhebben, ofwel de een aanhangen en de ander verachten. Gij kunt niet God dienen en de mammon. 25 Daarom zeg Ik u: Weest niet bezorgd voor uw leven, wat ge zult eten en wat ge zult drinken, en ook niet voor uw lichaam, wat ge zult aantrekken. Is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam niet meer dan de kleding? 26 Let eens op de vogels in de lucht: ze zaaien niet en maaien niet en verzamelen niet in schuren, maar uw hemelse Vader voedt ze. Zijt gij dan niet veel meer dan zij? 27 Trouwens, wie van u is in staat met al zijn tobben aan zijn levensweg een el toe te voegen? 28 En wat maakt gij u zorgen over kleding? Kijkt naar de leliën in het veld: hoe ze groeien. Ze arbeiden noch spinnen. 29 Toch zeg Ik u: Zelfs Salomo in al zijn pracht was niet gekleed als een van hen. 30 Als God nu het veldgewas dat er vandaag nog staat en morgen in de oven wordt geworpen, zo kleedt, hoeveel te meer dan u, kleingelovigen? 31 Maakt u dus geen zorgen over de vraag: wat zullen wij eten of wat zullen wij drinken? 32 Want dat alles jagen de heidenen na. Uw hemelse Vader weet wel dat gij al deze dingen nodig hebt. 33 Maar zoekt eerst het Koninkrijk en zijn gerechtigheid: dan zal dat alles u erbij gegeven worden. 34 Maakt u dus niet bezorgd voor de dag van morgen, want de dag van morgen zorgt voor zichzelf. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen leed.

Niemand kan twee heren dienen

De ‘mammon’ is het geld. Jezus zegt: ‘U kunt niet God dienen en het geld’. U moet dit niet zo begrijpen alsof Jezus erop tegen is dat u geld gebruikt of dat u geld verdient om uw familie te onderhouden. Het gaat Jezus om de waarden hiërarchie: wat komt eerst, wat komt op de tweede plaats. God dienen is een absolute waarde, en komt op de eerste plaats, en het geld is ondergeordend aan de dienst van God, en komt op de tweede plaats. We moeten dus het geld gebruiken voor zover het ons helpt om God te dienen, en ervan afzien, voor zover het ons daarbij hindert, zoals Ignatius zegt in de regel over de heilige onverschilligheid:

De mens is geschapen om God onze Heer te loven, eerbied te bewijzen en te dienen en aldus zijn ziel te redden. Alle overige dingen op het aardoppervlak zijn geschapen met het oog op de mens, om hem het doel te helpen nastreven waarvoor hij geschapen is. Daaruit volgt dat de mens er gebruik van moet maken voor zover ze hem helpen dat doel na te streven, en dat hij ervan moet afzien voor zover ze daarbij een hinder zijn. Daarom is het nodig dat wij ons onverschillig maken voor alles wat geschapen is, in al wat aan de vrijheid van onze vrije wil wordt toegestaan en niet verboden is. Zozeer dat wij van onze kant gezondheid niet méér willen dan ziekte, rijkdom niet méér dan armoede, eerbewijzen niet méér dan verguizing, een lang leven niet méér dan een kort, en zo in al het overige. Het enige wat wij moeten verlangen en kiezen is wat ons dichter brengt bij het doel waarvoor wij geschapen zijn
(Geestelijke Oefeningen, no. 23).

Deze innerlijke vrijheid met betrekking tot geld of andere geschapen dingen, is in het geestelijk leven de voorwaarde om te komen tot de eenheid met de Schepper. 

Soms vragen mensen aan God dingen die in zichzelf goed zijn, zoals geld, gezondheid, werk, enz., op een niet vrije wijze, alsof ze God willen dwingen hun te geven wat ze vragen. Dat functioneert nooit. Als u God iets vraagt, moet u innerlijk vrij zijn om te aanvaarden dat God u zal verhoren of niet zal verhoren. Dit gebed, gebaseerd op deze innerlijke vrijheid en een gelovig vertrouwen van een nederig mens (die God niets af wil dwingen, en die tegenover God zijn plaats kent), is voor God onweerstaanbaar. God houdt zoveel van deze deugden van geloof en vertrouwen in een nederig mens, dat wie die deze deugden bezit, op mysterieuze wijze over Gods wil beschikt. Het is een paradoxs: wie iets van God wil afdwingen, krijgt niets, en wie niets wil, behalve alleen God en zijn heilige wil, krijgt van Hem alles gedaan.

Dit Godsvertrouwen heeft als voorwaarde dat de intentie van ons doen en laten zuiver gericht is op de komst van Gods rijk: “zoekt eerst het Koninkrijk en zijn gerechtigheid: dan zal dat alles u erbij gegeven worden” (Matteüs 6,33). In de pastorale aktiviteit is deze zuiverheid van intentie, die voortkomt uit de heilige onverschilligheid, van fundamenteel belang. Het gaat hier om een keten van vier deugden, waarbij de ene deugd de andere voortbrengt: liefde tot God zuiverheid van intentie heilige onverschilligheid vertrouwen op God’s voorzienigheid.

Voor mensen die consistent deze deugden beoefenen, is de ervaring van de effecten van Gods voorzienigheid continu, en in alles: “Wij weten, dat God in alles het heil bevordert van die Hem liefhebben” (Romeinen 8,28-29). Er komt een moment dat zulke mensen vaak voelen dat ze niet zelf leven, maar ‘geleefd worden’, dat het Christus is die in hen leeft: “Ikzelf leef niet meer, Christus is het die leeft in mij” (Galaten 2,20).

   En omgekeerd, voor mensen die consistent en continu het kwaad bedrijven, bestaat er een sataniese voorzienigheid. Bijvoorbeeld, van 1933 tot 1945 werd er 43 maal een poging gedaan Hitler te vermoorden, maar altijd ontsnapte hij aan de dood, soms op bijna wonderbare wijze. Er is dus een goddelijke voorzienighed voor heilige mensen en een sataniese voorzienighed voor slechte mensen. En daar tussen in zijn er veel gewone mensen die proberen op de goede weg te blijven, maar vaak, bewust of onbewust, door hun menselijke zwakheid zich vergissen of dagelijkse zonden bedrijven, die geen doodzonden zijn. Voor hen is de ervaring van Gods voorzienigheid niet continu, naar beperkt tot situaties waar ze heel hun vertrouwen actief op God gesteld hebben.

Vrij zijn van ongeordende bezorgdheid

Tot vier maal toe spoort Jezus ons aan “maakt u zich geen zorgen” (in het Grieks is dat het werkwoord μεριμναω = merimnao, Matteüs 6,25.28.31.34). Hij wil dat ons vertrouwen in de voorzienigheid van God de Vader ons bevrijdt van deze vaak ongeordende neiging om ons zorgen te maken over eten, drinken, kleren, geld, gezondheid, werk, enz.

Voor Ignatius, de stichter van de jezuïeten-orde, was dit vertrouwen op God’s voorzienigheid zo belangrijk, dat hij de novicen van de Sociëteit van Jezus een maand lang op bedevaart stuurde naar een of ander heiligdom, zonder geld, “opdat ze zich er aan wennen niet goed te eten en niet goed te slapen, en bovenal, opdat zij leren hun vertrouwen niet te stellen op geld of andere geschapen dingen, maar helemaal op hun Schepper en Heer, met echt geloof en intense liefde” (Algemeen Examen no. 67).

Toen ik in Nederland op het jezuïeten noviciaat was, had de novicen-meester deze bedevaart van een maand gereduceerd tot een bedevaart van één dag. Ik had gelezen wat Ignatius schreef, en begreep dat deze eendags bedevaart een karikatuur was van zijn bedoelingen, en besloot te wachten op een goede gelegenheid om alsnog deze ervaring van afhankelijkheid van Gods voorzienigheid te beleven.

Voorbeelden van hoe Gods voorzienigheid werkt

De gelegenheid bood zich aan toen ik een studiereis van een jaar, in de Verenigde Staten, moest maken. Het ging om een onderzoek dat ik moest doen ter voorbereiding van mijn doktorale proefschrift. Het onderwerp van het proefschrift was De invloed van de Godservaring op de afschaffing van de slavernij in Noord Amerika. Ik had een Engelstalig scoring-manual geconstrueerd dat in staat was linguïstische uitdrukkingen van Godservaring te onderscheiden van andere linguïstische uitdrukkingen. Het statistitisch bewijs van de geldighed en betrouwbaarheid van dit scoring-manual was deel van mijn doctorandus examen in Groningen. Mijn hypothese was dat er meer uitdrukkingen van Godservaring te vinden waren in de geschrifen van de abolitonisten dan in de geschriften van de slavenhouders, en meer in de geschriften van de abolionisten die de beweging tot afschaffing van de slavernij begonnen, dan in de geschriften van de abolionisten die zich op een later tijdspunt in die beweging invoegden. Ik publiceerde mijn hypothesen en het scoring-manual in een Nederlands tijdschrijft vóórdat ik het onderzoek begon in de Verenigde Staten [1]. Om mijn hypotheses te confronteren met de feiten moest ik een totaal van ongeveer 200.000 bladzijden van autobiografische geschriften van slavenhouders en abolitionisten lezen.

Voor dit onderzoek, moest ik 12.000 kilometer reizen, om universiteiten en Historical Societies te bezoeken in 36 steden in de Verenigde Staten. In 12 van die steden waren er jezuïeten gemeenschappen. Volgens mijn reisplan, zou ik in elke stad zo’n drie tot vijftien dagen verblijven om de autobiografische manuscripten te lezen van slavenhouders en abolitionisten. Als Europees student kon ik heel goedkoop een Greyhound bus ticket kopen, dat een student betaalde voor tijd, onafhankelijk van het aantal kilometers dat men in die tijd zou reizen. Ik kocht een jaarkaartje, zodat ik een jaar lang 12.000 kilometers kon reizen.  Toen ik de econoom van de jezuïeten provincie opzocht (Pater Gregory Brenninkmeyer, die inmiddels overleden is) deed hij een schatting van de kosten van een jaar lang eten, drinken en slapen in de Verenigde Staten, en kwam tot de conclusie dat ik dat jaar tienduizend dollar nodig had. Hij wilde mij die geven, maar ik verzocht hem daarvan af te zien, en mij slechts 300 dollars te geven, voor fotokopiën. Hij verwees mij door naar de provinciaal (Pater Jan van Deenen, die ook inmiddels overleden is). Deze gaf mij toestemming dat de econoom mij niet meer dan 300 dollars zou geven voor een jaarlang durende reis van 12.000 kilometers via 36 steden in de Verenigde Staten. Ook de jezuïeten gemeenschappen, na de eerste nacht die gratis is, brengen de kosten van hosting in rekening.

Dit gedurfde en onverschrokken plan maakte het mij mogelijk om te verifiëren of de goddelijke voorzienigheid nu echt werkt. En, inderdaad!, het is een feit dat het mij gedurende die jaarlang durende reis, van mei 1972 tot juni 1973, 12.000 kilometers via 36 steden, nooit ontbrak aan onderdak, eten en drinken. Het vervulde mij iedere keer opnieuw van blijdschap dat ik de effecten van Gods voorzienigheid steeds opnieuw zo tastbaar kon ervaren. Ik herinner mij hoe ik op een goede dag langs de weg liep, zo blij dat ik uit volle borst meerdere keren Gloria in excelsis Deo zong, de een na de ander.

Een voorbeeld kan helpen om te zien hoe de goddelijke voorzienigheid op die reis functioneerde. Op een goede dag kwam ik om negen uur in de avond aan in Montgomery, Alabama. Ik moest daar twee weken verblijven om de autobiografische geschriften van een groot aantal slavenhouders te analizeren in de Alabama Historical Society. Ik had een gids waarin stond in welke steden er YMCA’s waren, die gratis slaapgelegenheden hebben voor studenten. Ik liep van de Greyhound Terminal naar de YMCA, en ontdekte daar dat ze een paar maanden terug die YMCA in een gymnasium met aerobics hadden omgevormd. Ik liep terug van het gymnasium naar de Greyhound Terminal, in mijn linkerhand mijn gitaar, in mijn rechterhand een grote koffer met kleren en fotokopiën. Ik keek op mijn horloge en zag dat het inmiddels al kwart over negen was. Ik overdrijf niet, als ik zeg dat ik niet in het minst bezorgd was. Staat er niet geschreven: “maakt u zich geen zorgen”? Ik richtte mij tot onze Vader in de hemel en zei, met hetzelfde soort ongeneerde vertrouwen dat een klein kind in zijn goede vader heeft: “het is inmiddels al kwart over negen, wees alsjeblieft zo goed een beetje op te schieten”. Op datzelfde moment stopte er een auto naast mij, en de man aan het stuur vroeg mij: “waar gaat u naar toe?”. Ik zei “ik zoek een plaats om te slapen want ik heb geen geld voor een hotel”. Hij pikte mij op en bracht mij naar een tehuis voor daklozen, een werk van liefdadigheid van de Baptiste kerk, en liet mij weten dat het slechts voor één nacht zou zijn. 

Onderweg vertelde ik hem wie ik was en wat ik deed. Nu hij ervan op de hoogte was dat ik katholiek was, wees hij mij onderweg een bord aan dat zei Catholic Social Center. Ik sliep en ontbeet met de daklozen en daarna wandelde ik naar het gebouw met het bord Catholic Social Center, waar een rij werkelozen hun beurt afwachtte. Toen het mijn beurt was legde ik aan de religieuze zuster die mij attendeerde uit wie ik was, wat ik deed, dat ik twee weken in Montgomery zou zijn, en dat ik een plaats zocht om te slapen. Op een of andere manier was ze ervan op de hoogte dat in St. Jude’s Hospital, op 30 kilometer afstand van Montgomery, twee jezuïeten novicen van de Provincie van New Orleans een maand lang werkzaam waren in dat ziekenhuis. Ignatius schreef dit experiment voor aan de novicen van de Societeit van Jezus, zoals het andere experiment van een bedevaart van een maand zonder geld. De zuster belde de Rector van het ziekenhuis op, die mij persoonlijk kwam ophalen (!), en mij een bed aanbood in zijn ziekenhuis. Ik ontbeet voor de tweede keer die dag, met de beide novicen, en nam toen de plaatselijke bus naar Montgomery, voor mijn onderzoek. 

Die ochtend las ik mijn dosis van manuskripten van slavenhouders, en om ongeveer 1 uur onderbrak ik mijn studies om wat uit te rusten en mijn geweten te onderzoeken. In het gewetensonderzoek[2] zei ik God dank voor het gezelschap van mijn medebroeders, voor het bed waar ik kon slapen, voor het ontbijt en het avondeten, maar ik eindigde met een vraag op een beetje ironies toon: “Waarom zeg je dat je almachtig bent, als je me geen goed middagmaal kunt geven?”. Die dag had ik geen middagmaal (lunch).

Gods antwoord openbaarde mij dat Hij gevoel voor humor heeft. Tijdens het avondeten vroeg ze zuster mij waar ik mijn lunch gegeten had. Ik verzond een smoesje, en ze antwoordde: “maakt u zich maar geen zorgen, morgen zal ik u wat meegeven voor de lunch”. De volgende dag gaf ze me een grote papieren zak met sandwiches, gekookte eieren, fruit, sinaasappelsap, yoghurt en andere dingen, zoveel dat ik over hield om dat te delen met de daklozen van Montgomery. Zo ging het iedere ochtend, en de laatste dag, toen ik afscheid nam, gaf ze me een enorme papieren zak, met genoeg lunch voor meerdere dagen, Zo onderwees mij de goddelijke voorzienigheid dat ze inderdaad almachtig is om een goed middagmaal te geven…

Dat hele jaar gebeurden mij zulke dingen. Als ik van een jezuïeten gemeenschap afscheid nam, de laatste dag van mijn verblijf in een stad met jezuïeten, vroeg ik altijd met een poker face aan de overste “hoeveel ben ik u schuldig?”. En steevast was het antwoord: “maak je maar geen zorgen, dat gaat op rekening van de gemeenschap”. Vaak waren het katholieke parochiehuizen, of studenten op de universiteitscampus die mij onderdak verschaften.

Deze afhankelijkheid van de goddelijke voorzienigheid kan ook door leken worden beoefend. De volgende voorbeelden betreffen werkeloze mensen. Gods plan voor de meeste mensen is dat ze trouwen, werken en met hun werk hun gezin onderhouden. “En God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. God zegende hen, en God sprak tot hen: `Wees vruchtbaar en word talrijk; bevolk de aarde en onderwerp haar; heers over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, en over al het gedierte dat over de grond kruipt’” (Genesis 1,27-28). 

Werkeloze mensen hebben geloof nodig om werk te vinden. Zo kwam eens bij mij voor therapie een jonge vrouw die een masterdiploma had in financiën en, voor Mexicanse begrippen, een goede baan, zo’n $ 2.500 per maand. Haar naam was Cristina. Ze woonde alleen op een gehuurd departement. Op een goede dag werd ze opgebeld door het hoofd van human resources van een groot bedrijf in San Luis Potosí, dat op 400 kilometer afstand van Mexico ligt. Ze boden haar een baan aan voor $ 3.000 per maand. Ze accepteerde de nieuwe baan en verhuisde naar San Luis Potosi. Maar drie maande later was ze terug in Mexico stad, en terug bij mij voor therapie en geestelijke leiding. Ze was door haar nieuwe werkgever beetgenomen. Hij was op een twee maanden durende huwelijksreis geweest, en toen hij terugkwam ontsloeg hij haar. Hij wilde alleen maar iemand die hem verving zolang zijn huwelijksreis duurde.

Cristina was nu werkeloos en ze kreeg een depressie. Ik spoorde haar aan geloof te hebben en vol vertrouwen aan God te vragen haar te helpen om werk te vinden. Ze had een ontslag compensatie ontvangen, genoeg om het een paar maanden uit te houden. Twee keer stond ze op het punt een nieuwe job te vinden, maar op het laatste moment kwam er iets tussen, bijvoorbeeld een personeelsreductie in de publieke sector. Ik legde haar uit dat, als God haar niet zo gauw een nieuwe baan gaf, dit zo was opdat ze later een nog veel betere baan zou krijgen, en spoorde haar aan op God te vertrouwen, in de zekerheid dat Hij haar niet in de steek zou laten. Ik legde haar de deugd van ‘geanticipeerde dankbaarheid’ uit, opdat zij God bij voorbaat zou danken voor de goede baan die Hij haar zou helpen vinden. Ze gaf het niet op, bleef zoeken en bidden, en een maand later vond ze werk in een groot bedrijf, waar ze veel meer verdiende dan voorheen in de beide vorige jobs.

Ik herinner me nog twee andere gevallen van professionals, die respectievelijk Carlos en Gerardo heetten (geen kennissen van elkaar), beiden werkzaam in de financiële sector. Beiden waren op onrechtvaardige wijze ontslagen door de intriges van mensen in het bedrijf. Ik stelde ze voor dat ze gedurende de veertig dagen durende vastentijd God bij vóórbaat moesten bedanken voor de goede baan die Hij hen zou geven in de week na Pasen. Gedurende die veertig dagen, volhardden ze in hun gebed en de geanticipeerde dankbaarheid. Zowel Carlos als Gerardo vonden een nieuwe en goed betaalde job, voor zo’n  $ 4.000 per maand, in de week na Pasen.  Om te kunnen rekenen op het ingrijpen van de goddelijke voorzienigheid moeten we op intelligente en ijverige wijze de middelen inzetten (in het geval van deze voorbeelden: werk zoeken) die leiden tot het doel (in het geval van deze voorbeelden: werk en inkomsten), en tegelijk volharden in het gebed van de nederige die een mateloos vertrouwen heeft in zijn hemelse Vader. Ignatius van Loyola, de stichter van de jezuïeten, zegt dat als volgt:

U moet zó op God vertrouwen, alsof alles van Hem afhangt, en tegelijk u zó inspannen, alsof alles van u afhangt.”

Het voorbeeld van Déborah: deel twee

De interventie van de goddelijke voorzienigheid houdt soms in dat God een wonder doet. In de 9e Meditatie op het Evangelie door pater Auping hebben we de lessen overwogen die impliciet zijn in het verhaal van de bevrijding van Déborah. Dat was het eerste deel van gebeurtenissen die wonderlijk zijn. Het is hier de plaats om het tweede deel van dit verhaal te vertellen, dat te maken heeft met het thema van deze overweging. 

Toen Déborah in april 2012 bevrijd werd, ging ze terug naar haar flatje, en zocht werk. Omdat ze nooit de middelbare school had afgemaakt en twee en een half jaar in de gevangenis had gezeten, in afwachting van het definitieve vonnis van het hooggerechtshof, werd ze niet meer door bedrijven en instituties gekontrateerd als hostess. Men was haar vergeten. Op een goede dag in maart 2013, gingen Déborah en ik op bezoek bij haar zuster Dalila en haar zwager Adrián. Nog op straat, voordat we de flat van Dalila en Adrian binnen gingen, zei ze mij, met tranen in de ogen, dat ze geen middelen had om eten te kopen en de rente van haar flat te betalen, en dat er voor haar niets anders op zat dan te gaan werken in een table dance. Ik zei haar, dat ik die avond de Heilige Geest zou raadplegen om een oplossing te vinden. 

Die avond, in de huiskapel, liet de Heilige Geest mij weten dat ik die zomer naar Atlantic City moest reizen, daar in een casino aan de roulette moest spelen, en dat ik daar vijfhonderd duizend pesos (zo´n veertig duizend dollar), zou winnen, de helft voor Déborah, om te overleven tot ze werk vond of trouwde, en de helft voor een sociaal werk dat ik was begonnen in de armenwijk in het zuiden van Mexico stad, namelijk de bouw van een Centro Comunitario y Cultural, dat in totaal meer dan honderd duizend euros gekost heeft, en waar me op dat moment meer dan tienduizend euros ontbraken die nodig waren om de constructie af te maken. Ik liet dit aan Déborah weten en bezocht de provinciaal overste van de jezuïeten, Pater Carlos Morfín, om hem toestemming te vragen voor deze reis. Hij zei dat hij als religieuze overste geen toestemming kon geven aan een lid van de Sociëteit van Jezus om aan de roulette te gokken. Maar, met de grootmoedigheid die veel oversten van de Sociëteit van Jezus kenmerken, voegde hij  er aan toe: “je kunt mij per email toestemming vragen om een paar dagen op vakantie te gaan de in de Verenigde Staten, en gezien het feit dat je een volwassen man bent, moet je zelf maar zien wat je op je vakantie doet”. Ik stuurde hem per email toestemming voor die vakantie, en voegde er een PS aan toe: “ook zal ik een weldoener bezoeken, die mij beloofd heeft mij te helpen”. Die ‘weldoener’ was de Heilige Geest.

Déborah en ik reisden in juni 2013 naar Atlantic City. Ik koos Harrah’s uit als het casino waar ik aan de roulette ging spelen. De maximale inzet was vijfduizend dollar. Ik had twee grote dobbelstenen, en was met de Heilige Geest overeen gekomen dat als de som van de beide dobbelstenen even was (bijvoorbeeld drie plus vijf is acht) dan zou ik vijfduizend dollar op zwart inzetten, en als de som oneven was (bijvoorbeeld twee plus drie is vijf), dan zou ik vijfduizend dollar op rood inzetten. Dat het balletje van de roulette op zwart of rood valt heeft een kans van 18/38 (er zijn twee nullen die groen zijn, in totaal 38 nummers waarvan er 18 rood, 18 zwart en twee groen zijn). Ik won tien keer achter elkaar. Toen ik de elfde keer verloor hield ik er mee op. Ik won hiermee $45.000 dollar, waarvan ik er $4.000 gebruikte om de reis en verblijfkosten te betalen, en de rest in de vorm van een cheque van Harrah’s depositeerde in een rekening die ik had geopend in Well’s Fargo, in Atlantic City. De volgende dag maakte ik die $41.000 dollar over op mijn HSBC rekening in Mexico stad. Het waren, met de ruilvoet van juni 2013 van 12.2 pesos per dollar, in totaal vijfhonderd duizend pesos, waarvan ik, eenmaal in Mexico terug, de helft aan Déborah gaf, en de helft gebruikte om het Centro Comunitario y Cultural af te maken, dat in augustus 2014 werd ingewijd door de kardenaal-aartsbisschop ven Mexico en de burgemeester. Déborah gebruikte haar deel om te overleven, tot ze een partner vond, een Italiaan die Alessandro heette. Nadien, trouwde ik hen voor de kerk en doopte hun zoon Santiago.

de cheque

Het gaat hier om een echt wonder, want de probabilistische kans dat je tien keer achter elkaar aan de roulette wint, als je op rood en zwart gokt, is één op 1758 en bovendien had ik een en ander voorspeld. De wetten van de fysica zijn probabilistisch[3], en volgens de wetten van de statistiese waarschijnlijkheid is deze uitkomst van 1/1758 hoogst onwaarschijnlijk, ofschoon niet onmogelijk.

Hier is het moment om in uzelf te keren en na te gaan hoe groot uw vertrouwen in de goddelijke voorziengheid was gedurende tijden van schaarste en werkeloosheid in uw leven, en om voornemens te maken hoe u zich zal gedragen in de volgende beproeving.

Ook kunt u hier uw Godsbeeld confronteren met dat van deze overweging. Hebt u een beeld van God als een heel strikte, doodernstige, en perfectionistische God? Is dat Godsbeeld te rijmen met de God die zich in deze overweging manifesteert: een Vader die onze diepste persoonlijke verlangens bevrijdt en vervult, die gevoel van humor heeft, en met zijn kinderen speelt? Voor iemand die Hem zo begrijpt en ervaart, zal zijn apostolaat zoiets zijn als spelen aan de voeten van zijn voorzienige Vader, zo zorgeloos, en ook zo zeker van zijn grenzeloze goedheid.

  1. John Auping, “Een register voor uitdrukkingen van Godservaring (A scoring-manual for expressions of experience of God), in: Bijdragen 33 (1972), ps. 176-208.
  2. Ignatius, de stichter van de jezuïeten, schrijft de jezuïeten voor dat zij twee maal per dag gedurende ongeveer 15 minuten hun geweten moeten onderzoeken.
  3. Zie John Auping, “Determinism and indeterminism”, in: idem, The Cause and Evolution of the Universe. Fact and Myth in Modern Astrophysics, Universidad Iberoamericana (Mexico) & AESOP Publications (Oxford, Engeland), 2018, blz. 319-342. Te koop in Amazon.com en ook beschikbaar als e-book, online: 1) www.ibero.mx; 2) publicaciones; 3) publicaciones electrónicas; 4) The Cause and Evolution of the Universe.

Heeft u vragen over de tekst of wilt u iets delen met pater Auping, dan kunt u mailen naar : [email protected]

Laat wat van je horen

*