12de Meditatie op het Evangelie door pater Auping

Tijdens het bezoek van pater John Auping SJ uit Mexico – opgegroeid in Joppe – in september 2018 aan onze geloofsgemeenschap om met ons het 150-jarig jubileumfeest te vieren is het idee geboren contact met elkaar te houden. Het voornemen van pater Auping is om ons periodiek, zo eens in de drie weken, een overweging gewijd aan een tekst uit het Evangelie met ons te delen. Wij zijn pater Auping zeer erkentelijk voor dit initiatief en wensen u veel devotie bij het lezen.

Klik hier voor
Een Gids voor het mediteren op het Evangelie door pater Auping

María Tenhemelopneming: de 14 staties van het leven, lijden en de triomf van Maria

In deze meditatie, zullen we María volgen in het Evangelie, van de Onbevlekte Ontvangenis tot haar Tenhemelopneming.

15 augustus viert de R.K.-kerk het feest Maria Tenhemelopneming. De geloofsgemeenschap te Joppe van wie haar kerk is vernoemd naar O.L.V. Tenhemelopneming viert haar patroonsfeest in het bijzonder.

 1.  De Onbevlekte Ontvangenis

“Verheug u, vol van genade, de Heer is met u!”

Lucas 1,28
De Onbevlekte Ontvangenis, geschilderd in 1628-29 door Peter Paul Rubens (Museo Nacional del Prado, Madrid)

In deze groet van de engel Gabriel aan Maria wordt impliciet het mysterie van Maria’s Onbevlekte Ontvangenis geopenbaard, al was dat voor veel theologen niet onmiddellijk duidelijk. Er zijn namelijk twee interpretaties mogelijk: iemand kan ‘vol van genade’ zijn, omdat al zijn zonden vergeven zijn, en hij geheel gezuiverd is; of iemand kan vol van genade zijn, omdat God voorkomen heeft dat hij ooit in zonde zou vallen, zodat hij van meet af aan zonder zonde en zonder smet van zonde geleefd heeft. In het geval van María is de tweede interpretatie de juiste, al hebben vele katholieke theologen gedurende eeuwen gedacht dat niet alleen in het geval van om het even welke mens, maar ook in het geval van María de eerste interpretatie de enige was.

Paulus zegt: “Allen hebben gezondigd en allen zijn verstoken van de goddelijke heerlijkheid. En allen worden zij om niet door zijn genade gerechtvaardigd, krachtens de verlossing die in Christus Jezus is (Romeinen 3,23-24). Omdat Paulus bevestigt dat allen gezondigd hebben en allen door Christus gerechtvaardigd zijn, waren vele katholieke theologen van mening dat ook María, oorspronkelijk, na haar ontvangenis, de gevolgen van de erfzonde in zichzelf had ondervonden, en daarna door de verdiensten van Christus gezuiverd en geheiligd was. Er waren invloedrijke theologen en geestelijke schrijvers, zoals de heilige Bernardus van Clairvaux, in de 12e eeuw, en de heilige Tomas van Aquino,  in de 13e eeuw, die de thesis verdedigden dat María na haar ontvangenis de smet van de erfzonde had gekend, en daarna, vóór haar geboorte, gezuiverd was. Zo zei Tomas van Aquino:   “Men leest in Lucas 1,28 dat de engel zei ‘Verheug u, vol van genade, de Heer is met u!’. Maar men weet dat ook enige anderen het privilege ontvingen geheiligd te zijn in de schoot van hun moeder”, bijvoorbeeld Jeremias (Jeremías 1,5) en Johannes de Doper (Lucas 1,15). “Het is dus redelijk te veronderstellen dat ook de Maagd María geheiligd werd voor haar geboorte”.[1]  Maar dat betekent niet “dat ze nooit bevlekt is geweest met de vlek van de erfzonde” want, “in dat geval zou zij ook de redding en verlossing, die door Christus tot ons komt, niet nodig gehad hebben”, en dat is onaanvaardbaar: “het is onaanvaardbaar dat Christus niet de Verlosser van alle mensen is… zodat men de conclusie moet trekken dat de heiliging van de Maagd María plaats vond ná haar ontvangenisvóór haar geboorte uit de schoot van haar moeder.[2]

Maar andere theologen, zoals de zalige Johannes Duns Scotus, in een theologische discussie in Parijs, rond 1305, en de jezuïeten Alfonso Salmerón en Diego Laynez, die in de 16e eeuw hun stempel drukten op de decreten van het Concilie van Trente, verdedigden de Onbevlekte Ontvangenis.

Het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis van María werd door de Paus ex cathedra geproclameerd op 8 december 1854:

“Wij verklaren, spreken uit en bepalen, dat de leer, welke houdt dat de Allerzaligste Maagd Maria in het eerste moment van haar Ontvangenis door een enige, bijzondere genade en bevoorrechting van de almachtige God, door de verdiensten van Christus Jezus de Verlosser van de mensheid, van alle smet van de erfschuld vrij is bewaard, door God is geopenbaard, en alzo door alle gelovigen vast en bestendig moet geloofd worden”.[3]

Vier jaar nadat de Paus het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis had uitgesproken, werd dit dogma door María zelf bevestigd in de 16e verschijning aan Bernadette. In antwoord op de aanhoudende vraag van Bernadette dat zij haar naam zou onthullen, zei María, op 25 maart 1858: “Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis”.

In de dogmaverklaring had de Paus gezegd: “door de verdiensten van Christus Jezus de Verlosser van de mensheid”. Het argument van Tomas van Aquino dat Maria door Christus geheiligd is, blijft dus staan. Maar de onjuiste interpretatie, dat de heiliging van María inhoudt dat zij gezuiverd werd van de smet van de erfzonde, wordt vervangen door de juiste interpretatie dat in haar, “door de verdiensten van Christus Jezus, de Verlosser van de mensheid”, zonde en erfzonde voorkomen zijn.

Veertig jaar na de dogmaverklaring, is het de heilige Theresia van Lisieux, die indirect (over haar eigen leven sprekend), dit theologisch fundament onder woorden brengt. Zij onderscheidt vergeving en voorkoming van de zonde, en merkt op dat God in haar leven voorkomen heeft dat ze in grote zonde zou vallen.

Voorkoming van zonde is een nog grotere genade dan vergeving van zonde:
Ik erken dat ik zo diep als de heilige Maria Magdalena had kunnen vallen,,,, maar ik weet ook dat mijn Jezus aan mij veel meer vergeven heeft dan aan de heilige Maria Magdalena, want Hij heeft mij bij voorbaat vergeven, het mij verhinderend dat ik zou vallen… Ik ben het object van de voorzienige liefde van een Vader… die gewild heeft dat ik zou weten hoeveel Hij van mij gehouden heeft, met een liefde van bewonderenswaardige voorkoming, opdat ik Hem zou liefhebben, buiten mijzelf van liefde ”.[4]

Dit betekent ook dat, waar het Jezus veel gekost heeft voor om het even welke mens de vergiffenis van zonde te verdienen, de mens wier heiliging Hem het meest gekost heeft, Maria is, door voor haar de voorkoming van alle zonden, dat is de Onbevlekte Ontvangenis, te verdienen.

2.  De Incarnatie

“De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u  overschaduwen”

Lucas 1,35
Annunciatie El Greco ca. 1575

De engel Gabriel laat María weten dat ze bevrucht zal worden door de Heilige Geest. Er is een analogie met de bevruchting van een vrouw door haar man: de uitdrukking ‘de Heilige Geest zal over u komen’ is analoog aan de uitdrukking ‘haar man zal over haar komen’. Vanaf dit moment van de incarnatie, is niet alleen het Woord vlees geworden, en bevindt Jezus zich embryonaal in de schoot van María, maar vanaf dit moment zijn de geschiedenis van God en de geschiedenis van de mens één geschiedenis geworden. Wat in de mensengeschiedenis gebeurt, gebeurt aan God. Als alles zou mislukken, zou ook God mislukken. Dat kan niet. Dus de incarnatie of menswording van het Woord van God is een garantie dat de mensengeschiedenis goed zal aflopen, ook al heeft het soms de schijn van het tegendeel.

De incarnatie is iets van alle tijden, en gebeurt tegen de achtergrond van de slechte dingen die gebeuren in de geschiedenis, wat ook van alle tijden is. De heilige Ignatius zegt het op de volgende wijze:

Kijken wat de personen op het aardoppervlak doen. Zij verwonden, doden, gaan naar de hel, enz. Kijken ook wat de goddelijke personen doen. Zij bewerken de heilige menswording, enz. Kijken ook wat de engel en Onze-Lieve-Vrouw doen. De engel oefent zijn taak uit als gezant en Onze-Lieve-Vrouw, deemoedig, dankt de goddelijke Majesteit. Daarna tot mezelf inkeren om enig voordeel te trekken uit elk van deze dingen.”[5]

De mystieke menswording van Gods Woord is iets van alle tijden. In het geval van menswording van Gods Woord in het mystieke lichaam van Christus (de Kerk), gaat het om de mystieke incarnatie. Paulus zegt dat zo: “Want die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid met het beeld van zijn Zoon, opdat Deze de eerstgeborene zou zijn onder vele broeders” (Romeinen 8,29). Sommige heiligen hebben zo geleefd dat zij aan die genade van de mystieke incarnatie 100% beantwoord hebben. Dank zij deze mystieke incarnate, was in hen Christus zelf onder de mensen aanwezig, zoals in het geval van Mozes die Israël uit de slavernij van Egypte bevrijdde; of de heilige Benedictus, de stichter van de Benedictijnen, die in hun kloosters de cultuur van het Westen bewaarden; of de heilige Franciscus van Assisi, die in zijn leven bewees dat het Evangelie als norm van leven genoeg is om Jezus te volgen; of de heilige Ignatius van Loyola die de Kerk bevrijdde uit de greep van de afvalligheid; of de heilige Pastoor van Ars en de heilige Pater Pio, die door hun penitenties boete deden voor de zonden van hun duizenden biechtelingen; of de zalige Concepción Cabrera de Armida, de stichteres van de Missionarissen van de Heilige Geest en de Zusters van het Kruis, in Mexico; of de heilige Johannes Paulus II, die via zijn reizen over de hele wereld het Evangelie en het respect aan de Mensenrechten proclameerde.

Als u zich open wilt stellen voor de genade van de mystieke incarnatie, is het nodig dat u dicht bij Maria blijft, zodat haar zuiverheid en haar kracht u kunnen doordringen. Op het Concilie van Efeze (431) is Maria uitgeroepen tot Moeder van God. Zij is de moeder van God, de moeder van God die in u aanwezig is, die in uw ziel geboren wil worden en wil opgroeien. Dicht bij haar leert u dit geheim te onderkennen, te eerbiedigen en te cultiveren. U neemt deel aan de moederlijke gevoelens van Maria voor Jezus, dat wil zeggen, voor uzelf, voor zover de Heilige Geest in u de karaktertrekken van Jezus (de deugden) reproduceert.

Ook zijn er politieke leiders, die een zekere graad van deze mystieke incarnatie van Gods Wijsheid in hun persoon toelieten, en op beslissende wijze de mensen geschiedenis positief beïnvloed hebben. Iedere keer opnieuw redt God zo de mensheid die op het punt staat verloren te raken. We zien het in Winston Churchill die op het moeilijkste uur van de Tweede Wereldoorlog standvastig bleef en zo de overwinning op de nazi’s mogelijk maakte. We zien het in Mahatma Gandhi die, door middel van het door hem geplande en geleidde geweldloos verzet, India bevrijdde van het Europees kolonialisme. We zien het in Dag Hammarskjöld, die als eerste secretaris generaal van de Verenigde Naties, de creatie overzag van de Commission on Human Rights[6], die van 1946 tot 1948 de Universal Declaration of Human Rights redacteerde. We zien het in Mijail Gorbachov (Michail Gorbatsjov) die Oost Europa bevrijdde van de onderdrukking van het Sovjet regime. We zien het in Nelson Mandela die op geweldloze wijze Zuid-Afrika bevrijdde van de apartheid.

3.  De spanning tussen Maria en Jozef

“Toen zijn moeder Maria verloofd was met Jozef, bleek zij, voordat ze gingen samenwonen, zwanger van de heilige Geest. Omdat Jozef, haar man, rechtschapen was en haar niet in opspraak wilde brengen, dacht hij er over in stilte van haar te scheiden.  Terwijl hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de Heer die hem zei: “Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; het kind in haar schoot is van de heilige Geest”

Matteüs 2,18-21
De droom van Jozef door Daniele Crespi (1598-1630) Kunst Historisch Museum Wenen

Toen de heilige Jozef, een aantal maanden na de incarnatie, zag dat Maria zwanger was, wist Maria dat hij dat wist. Maar ze bleef zwijgen. Wat kon ze zeggen? Je kunt toch aan je man niet zeggen “ik ben zwanger van de Heilige Geest”. En Jozef, haar kennende, begreep het niet, maar wilde haar niet aanklagen, daar op overspel de doodstraf stond. Daarom dacht hij er over in stilte van haar te scheiden. Dit waren voor Maria maanden van gespannen stilte, want zij zag het al aankomen voordat Jozef het zag, en het waren voor Jozef weken van gespannen stilte voordat hij besloot van haar te scheiden. Maria en Jozef overkomen deze gespannen stilte en hun scheiding door God te laten spreken en naar Hem te luisteren. Dank zij Jozef’s contact met God, kan deze hem uitleggen wat er aan de hand is.

4.  De Geboorte van Jezus

“Jozef ging van Galilea uit de stad Nazareth naar Judea, naar de stad van David, Bethlehem geheten, om zich te laten inschrijven, samen met Maria, zijn verloofde, die zwanger was. Terwijl zij daar verbleven, brak het uur aan waarop zij moeder zou worden; zij bracht haar zoon ter wereld, haar eerstgeborene, wikkelde hem in doeken en legde Hem neer in een kribbe, omdat er voor hen geen plaats was in de herberg”

Lukas 2,4-7
Geboorte van Christus door Vladimir Borovikovsky eind 18e eeuw.

Jezus werd in armoede geboren. Er is geen plaats in de herberg voor een zwangere vrouw die op het punt staat te bevallen. Hoe heeft María zich gevoeld? Op die reis naar Bethlehem hebben Jozef en María zich soms troosteloos gevoeld. Waar was God? De gebeurtenissen op aarde lijken geheel bepaald te worden door de hoogmoed van een keizer en het harde hart van geldzuchtige mensen. Maar María en Jozef gaven het niet op. In de Geestelijke Oefeningen, drukt Ignatius dat zo uit:

Kijken en nagaan wat María en Jozef doen, zoals het reizen en het zich inspannen. Want de Heer moest geboren worden in uiterste armoede, om na zoveel honger, dorst, hitte en kou, beledigingen en aanvechtingen te hebben doorstaan, te sterven aan het kruis.  En dat alles voor mij. Daarna in mijzelf keren om er enig geestelijk voordeel uit te trekken”.[7]

Van de andere kant is María, op het moment van Jezus’ geboorte, buiten zichzelf van vreugde, haar hart één met Gods hart die zelf danst van vreugde, want de Verlosser van de mensheid is geboren! Over de geboorte van Jezus hebben we gemediteerd in de eerste Meditatie op het Evangelie door Pater Auping.

5.  Het bezoek van de wijzen uit het Oosten

11 Zij gingen het huis binnen, zagen er het Kind met zijn moeder Maria en op hun knieën neer vallend betuigden zij het hun hulde. Zij haalden hun schatten te voorschijn en boden het geschenken aan: goud, wierook en mirre. 12 En in een droom van Godswege gewaarschuwd niet meer naar Herodes terug te keren, vertrokken zij langs een andere weg naar hun land

Matteüs 2,11-12
De aanbidding der Koningen, 1619 door Hendrick ter Brugghen, Rijksmuseum Amsterdam

Het zijn niet drie koningen, maar twee: ‘koning Herodes’ (Matteüs 2,1) en ‘de pasgeboren koning der Joden’ (Matteüs 2,2). Wat het aantal wijzen betreft, het evangelie zegt niet hoeveel het er waren. Maar omdat er drie dure cadeaus waren, hebben de schilders daarna drie koningen geschilderd. Waarom is dit belangrijk? Het is belangrijk, omdat het evangelie wil laten zien, dat er een strijd op leven en dood gaande is tussen de goede en de slechte koning, tussen God en Satan. Het evangelie wil dat wij niet passief aan de kant blijven staan, maar actief partij kiezen en deelnemen aan deze geestelijke oorlog, zoals de Wijzen uit het Oosten dat deden. Zij zijn in het evangelie de voorlopers van de heidenen die zich tot het christendom zouden bekeren, dus onze voorlopers.

Staat u nu even stil bij deze vraag: wat is het goud en het wierook dat ik aan de pasgeboren koning en aan Maria, zijn moeder kan aanbieden? Een daad van liefde? Een troosteloos mens bezoeken en troosten, al heb ik zelf verdriet? Meer bidden? Mij verzoenen met iemand op wie ik lang boos geweest ben?

6.  De Opdracht in de Tempel

“Simeon zei tot Maria, zijn moeder: ‘Zie, dit kind is bestemd tot val of opstanding van velen in Israël, tot een teken dat weersproken wordt, opdat de gezindheid van vele harten openbaar moge worden; en uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord’”

Lucas 2,34-35
De Opdracht in de tempel, Museum Boijmans van Beuningen

Wat in Jozef en Maria, en in Simeon en Hanna opvalt is hoe zij hun trouw aan de voorschriften van de Wet (Lucas 2,22; 2,23; 2,24; 2,25; 2,27; 2,39) verenigen met de volheid van de Heilige Geest (Lucas 2,25; 2,26; 2,27).

Er is geen tegenspraak tussen Wet en Geest: men kan tegelijk, van de ene kant, trouw zijn aan de geboden van de godsdienst en, van de andere kant, bewogen worden door de Geest, vol zijn van initiatief en creatief optreden en vol van de kracht en de geestelijke gevoelens van de Geest.

Een tweede punt voor reflectie in deze statie is de voorspelling van Maria’s deelname in de passie van Jezus, haar zoon. We zullen op dit punt terugkomen als we Maria contempleren aan de voet van het kruis.

7.  De vlucht naar Egypte

Na het vertrek van de Wijzen verscheen een engel van de Heer in een droom aan Jozef en sprak: “Sta op, neem het Kind en zijn moeder, vlucht naar Egypte en blijf daar tot ik u waarschuw, want Herodes komt het Kind zoeken om het te doden.” Hij stond op en week in de nacht met het Kind en zijn moeder naar Egypte uit. Daar bleef hij tot aan de dood van Herodes, opdat in vervulling zou gaan wat de Heer gesproken had door de profeet: ‘Ik heb mijn zoon geroepen uit Egypte’

Matteüs 2,13-15
Vlucht uit Egypte, Rembrandt 1627

Herodes, de slechte koning, wil de pasgeboren, goede koning vermoorden. Hij vermoordt daartoe de kleine kinderen van Bethlehem, maar Jezus, Maria en Jozef, dank zij de leiding van Gods voorzienigheid, ontsnappen op het nippertje naar Egypte.

Hoe slecht is de dynastie van Herodes? Het was een dynastie van moordenaars en onderdrukkers. De kindermoordenaar was Herodes de Grote (de ‘Grote’ genoemd vanwege zijn arquitectonica werken, die hij financierde met het volk uitpersende belastingen). Vóór de kindermoord in Bethlehem, had die in het jaar 30 v. C. Hircano II, de grootvader van Mariamne I, zijn vrouw, vermoord. Daarna vermoordde hij zijn vrouw, en trouwde met Mariamne II. Om te voorkomen dat de kinderen van Mariamne I de troon zouden kunnen pretenderen, vermoordde hij in het jaar 7 v. C. zijn zonen Alexander en Aristobel, en drie jaar later, zijn oudste zoon, Antipater. Hij maakte zijn testament op ten gunste van zonen die hij verwekt had door overspel, namelijk Arquelao en Herodes Antipas, met Maltaké; en Filippus, met Cleopatra. Hij stierf in het jaar 4 v. C., twee of drie jaar na de geboorte van Christus, die geboren is in het jaar 6 of 7 v. C.

Zijn zoon, Herodes Antipas, erfde een vierde deel van het rijk van zijn vader en trouwde in 27 n. C. Herodia, de vrouw van zijn broer Filippus. Hun dochter Salomé, geïnspireerd door haar door en door slechte moeder, vroeg en kreeg het hoofd van Johannes de Doper. Dit is dezelfde Herodes die Christus bespotte, toen Pilatus Christus naar hem doorstuurde. Hij stierf zes jaar na de dood en verrijzenis van Christus. De kleinzoon van Herodes de Grote, Herodes Agrippa I, was de koning die Santiago onthoofde in het jaar 44 d. C. Hij vervolgde de jonge Kerk om de gunst van de Joden te winnen (Handelingen 12,1-23). “Omdat hij aan God niet de verschuldigde eer had gegeven, stierf hij, door wormen verteerd” (Handelingen 12,23).

Deze door en door slechte koningen geven ons een idee van het soort wereld waar Christus ons van verlost heeft en nog bezig is te verlossen. Maria en Jozef hebben daarin, door hun gehoorzaamheid aan God, een beslissende rol gespeeld, het aanvaardend dat ze omwille van Jezus vervolgd werden, en als politieke vluchtelingen twee of drie jaar in Egypte verblijvend.

8.  Jezus wordt teruggevonden in de tempel

Jezus gevonden na 3 dagen door Carl Heinrich Bloch

   “Pas na drie dagen vonden zij Hem in de tempel, waar Hij te midden van de leraren zat, naar wie Hij luisterde en aan wie Hij vragen stelde. Allen die Hem hoorden, waren verbaasd over zijn begrip en zijn antwoorden. Toen zij Hem daar opmerkten, stonden zij verslagen. Zijn moeder zei tot Hem: ‘Kind, waarom hebt je ons dit aangedaan? Denk toch eens met wat een pijn jouw vader en ik naar jou hebben gezocht.’ Maar Hij antwoordde: ‘Wat hebt ge toch naar Mij gezocht? Wist ge dan niet, dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?’ Zij begrepen echter niet wat Hij daarmee bedoelde”

Lucas 2,46-50

Een zoon van twaalf jaar blijft achter in een grote stad, zonder toestemming te vragen aan zijn ouders, zelfs zonder ze in te lichten. En als ze hem, na drie dagen zoeken, tenslotte terugvinden in de tempel, en zijn moeder Hem haar gevoelens van angst en bezorgdheid tot uitdrukking brengt, vraagt hij geen vergiffenis, en brengt ook geen begrip op voor haar gevoelens, maar laat ze weten dat Hij in het huis van zijn Vader moest zijn. Hij doelt daarbij niet op Jozef maar op zijn Vader in de hemel, en door zo te spreken, brengt hij ook geen begrip op voor de gevoelens van zijn vader Jozef. Overdrijft Jezus niet een beetje?

Jezus overdrijft niet, maar is heel bewust bezig een zekere afstand te scheppen tussen Hem en zijn moeder, door een beroep te doen op God de Vader. Hij wil dat er in het centrum van de familie relaties plaats is voor God de Vader, de eerste plaats. Het familie systeem van Nazareth had een aantal kenmerken, die het in theorie mogelijk hadden gemaakt, dat de bekoring daar wortel zou hebben geschoten, als Jezus niet voortdurend zijn Vader in het centrum van de familie relaties had geplaatst. Ik wil dat een beetje uitleggen. Een familie systeem waar er maar één kind is, die veel van zijn moeder houdt, en zijn moeder veel van Hem, en waar vader, moeder en kind alle drie weten dat de vader niet de echte vader is, kan dysfunctioneel worden, als de vader niet tussen beide komt om moeder en zoon te scheiden. Dat potentieel dysfunctionele systeem kan uitlopen op een ongeordende gehechtheid tussen een possessieve moeder en een op zijn moeder verliefde zoon.

Hoe heeft de familie van Nazareth dat voorkomen? Op de volgende wijze. We zien in het Evangelie, hoe Jezus voortdurend zijn Vader tussen en boven Hem en Maria plaatst. Wanneer Maria haar moederlijke gevoelens tot uitdrukking bent, plaatst Hij zijn Vader tussen en boven Hem en haar. Hij moet aan zijn Vader gehoorzamen, niet aan haar: “’Wat hebt ge toch naar Mij gezocht? Wist ge dan niet, dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?’ ” (Lucas 2,49). Hij zegt en doet precies wat nodig is om te voorkomen dat in dit familie systeem de bekoring van de ongeordende gehechtheid een ingang zou vinden.

Gezien het feit dat zowel Jozef, als Maria en Jezus wisten dat Jozef niet de echte vader was, had Jozef in de bekoring van minderwaardigheid gevoelens kunnen vallen. Hij komt daar overheen door God in het centrum van het familie gebeuren te plaatsen. Hij weerstaat de bekoring van onzekerheid, en neemt de leiding, door te steunen op Gods leiding, waarvan hij zeker is, iedere keer opnieuw:

Terwijl hij overwoog [van haar te scheiden], verscheen hem in een droom een engel van de Heer die tot hem sprak: ‘Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen…’  Ontwaakt uit de slaap deed Jozef zoals de engel van de Heer hem bevolen had en nam zijn vrouw tot zich” (Matteüs 1,20.24). “Na het vertrek [van de wijzen] verscheen een engel van de Heer in een droom aan Jozef en sprak: “Sta op, neem het Kind en zijn moeder, vlucht naar Egypte en blijf daar tot ik u waarschuw, want Herodes komt het Kind zoeken om het te doden.” Hij stond op en week in de nacht met het Kind en zijn moeder naar Egypte uit” (Matteüs 2,13-14). “Nadat Herodes gestorven was, verscheen in Egypte een engel van de Heer in een droom aan Jozef en zei: “Sta op, neem het Kind en zijn moeder en trek naar het land Israël, want die het Kind naar het leven stonden zijn gestorven.” Hij stond op, nam het Kind en zijn moeder en ging naar het land Israël” (Matteüs 2,19-21).

We kunnen een en ander als volgt samenvatten. De familie van Nazareth is heilig omdat het er niet drie, maar vier waren: Jezus, Maria, Jozef en hun Vader in de hemel, aan wie elk familielid de centrale plaats gaf die Hem toekomt, in hun doen en laten en in hun wederzijdse relaties.

9.  Op de bruiloft van Kana

“Op de derde dag was er een bruiloft te Kana in Galilea, waarbij de moeder van Jezus aanwezig was. Jezus en zijn leerlingen waren eveneens op die bruiloft uitgenodigd. Toen de wijn opraakte, zei de moeder van Jezus tot Hem: “Ze hebben geen wijn meer.” Jezus zei tot haar: “Vrouw, is dat soms uw zaak? Nog is mijn uur niet gekomen.” Zijn moeder sprak tot de bedienden: “Doet maar wat Hij u zeggen zal”

Johannes 2,1-5
De bruiloft te Kana van Paolo Veronese 1562-1563

Deze manier van Jezus om zijn Vader tussen en boven Hem en zijn moeder een plaats te geven, herhaalt zich op de bruiloft van Kana. Maria wil dat Hij een wonder doet om het bruidspaar te helpen. Er is geen probleem met het wonder, noch ook met de intentie andere mensen te helpen, maar er is een probleem met wie het vraagt, wat de reden is, waarom Jezus haar antwoordt dat het niet zijn moeder, maar zijn Vader in de hemel is die beslist wanneer Hij zijn openbare leven begint. Hij laat haar dat weten met het afstand scheppende ‘vrouw’, in plaats van ‘moeder’: “Vrouw, is dat soms uw zaak? Nog is mijn uur niet gekomen” (Johannes 2,4).

10. Een familie bezoek

Terwijl Hij nog tot het volk sprak, gebeurde het dat zijn moeder en broeders buiten stonden om te trachten met Hem te spreken. Iemand kwam Hem nu zeggen: “Uw moeder en broeders staan daar buiten en willen U spreken.” Maar hij antwoordde aan degene die Hem dit kwam zeggen: “Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broeders?” En met een gebaar naar zijn leerlingen zei Hij: “Ziedaar mijn moeder en mijn broeders; want mijn broeder, mijn zuster en mijn moeder zijn zij die de wil volbrengen van mijn Vader in de hemel

Matteüs 12, 46-50

Een jaar na de bruiloft van Kana, als zijn moeder en neven Hem komen opzoeken, plaatst Hij opnieuw zijn Vader tussen en boven Hem en Maria. U moet zich dat zo voorstellen dat de boodschapper met Jezus’ antwoord naar buiten gaat, waar zijn moeder en neven op zijn antwoord staan te wachten, en dat de boodschapper hun dan zegt “Hij is druk, Hij zegt: wie is mijn moeder en wie zijn mijn broeders?… Hij zegt dat zij die de wil volbrengen van zijn Vader in de hemel zijn broeder, zijn zuster en zijn moeder zijn”. Het is de grootheid van Maria dat zij aanvaardt dat de Vader tussen en boven haar en Jezus komt te staan.

11. Maria aan de voet van het kruis

“Aan de voet van Jezus’ kruis stonden zijn moeder, de zuster van zijn moeder, Maria de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena. Toen Jezus zijn moeder zag en naast haar de leerling die Hij liefhad, zei Hij tot zijn moeder: “Vrouw, zie daar uw zoon.” Vervolgens zei Hij tot de leerling: “Zie daar uw moeder.” En van dat ogenblik af nam de leerling haar bij zich in huis”

Johannes 19,25-27
Christus aan het kruis door Cornelis Engebrechtsz

Maria heeft helemaal Jezus’ raad aanvaard en beleefd, dat God de Vader tussen hen beide en boven hen beide staat. Dit gaat zover dat zij, als Jezus haar laat weten dat Hij in Jeruzalem op wrede en vernederende wijze gekruisigd zal worden, niet zegt (wat om het even welke moeder zou zeggen): “Kind, doe mij dat niet aan”, maar zij zegt: “Doe wat onze Vader in de hemel van je vraagt”. Welke moeder geeft zo’n antwoord? Alleen Maria. 

Zij staat aan de voet van het kruis, met andere vrouwen en Johannes, met Jezus meelijdend, het offer dat de Vader vraagt voor onze verlossing. Er is een vorm van medelijden die zo intens is, dat het is alsof een zwaard hart en longen van de medelijdende mens doorboort, de medelijdende mens bij momenten zo verhinderend adem te halen. Zo wordt Maria’s ziel door een zwaard doorboord (Lukas 2,35). Door dit medelijden, maken wij ons het lijden van anderen eigen en dit lijden maakt ons wijs, in staat aan anderen een goede raad te geven.

12. Na zijn verrijzenis, verschijnt Jezus aan zijn heilige moeder

Hij verscheen aan de Maagd Maria. In de Schrift wordt dit wel niet gezegd, maar men beschouwt het als verondersteld, want zij zegt wel dat Hij aan zoveel anderen verschenen is.”[8]

Na zijn Verrijzenis is Jezus het eerst verschenen aan de H. Maagd Maria

Al vertelt het Evangelie niets over de verschijning van Jezus aan Maria, na zijn verrijzenis, de heilige Ignatius heeft er geen twijfel over. Hij zegt dat Jezus in deze en andere verschijningen de taak van vertrooster uitoefent: “Kijken naar de taak van het troosten die Christus onze Heer op zich neemt, en dit vergelijken met de manier waarop vrienden gewend zijn elkaar te troosten”.[9]

Zo kunnen ook wij anderen troosten, als ze verdrietig zijn door het verlies van een geliefd familielid of van een vriend of vriendin. De beste manier om iemand te troosten die door zo’n verlies verdriet heeft, is eerst luisteren, opdat zo iemand zijn hart kan uitstorten. Daarna kunnen wij hem of haar er op wijzen dat de overleden persoon bij God is, en we hem in het uur van onze dood terug zullen zien. De verrijzenis is de troost van de gelovige.

13. Pinksteren

“Zij gingen naar de bovenzaal waar ze verblijf hielden: Petrus en Johannes, Jakobus en Andreas, Filippus en Tomas, Bartholomeus en Matteüs, Jakobus, zoon van Alfeüs, Simon de IJveraar en Judas, de broer van Jakobus. Zij allen bleven eensgezind volharden in gebed samen met de vrouwen, met Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broeders… Toen de dag van Pinksteren aanbrak, waren allen bijeen op dezelfde plaats. Plotseling kwam uit de hemel een gedruis alsof er een hevige wind opstak en heel het huis waar zij gezeten waren, was er vol van. Er verscheen hun iets dat op vuur geleek en dat zich, in tongen verdeeld, op ieder van hen neerzette. Zij werden allen vervuld van de heilige Geest”

Handelingen 1,13-14; 2,1-4
Pinksteren door Giotto Padua

Samen met de apostelen en de vrouwen, is María in Jeruzalem, biddend en wachtend op de Heilige Geest. Zoals meer dan dertig jaar terug, Jezus geboren was uit de intieme eenheid van Maria en de Heilige Geest, nu wordt uit deze intieme relatie van Maria, de vrouwen en de apostelen, met de Heilige Geest, de jonge Kerk geboren.

En iedere keer opnieuw, wordt uit deze bruidsrelatie van onze geest met de Heilige Geest, door bemiddeling van Maria, Jezus geboren. Paulus zegt dat zo: “Want die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid met het beeld van zijn Zoon, opdat Deze de eerstgeborene zou zijn onder vele broeders” (Romeinen 8,29).

14. Maria´s eenzaamheid en haar ten hemel opneming

1 En er verscheen een groot teken aan de hemel: een vrouw, bekleed met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. 2 Zij was zwanger en kreet in haar weeën en barensnood. 3 Toen verscheen aan de hemel een ander teken: een grote, vuurrode draak. … En de draak stond vóór de vrouw die zou baren, om zodra zij gebaard had, haar kind te verslinden. 5 En zij baarde een kind, een zoon, die alle volken zal weiden met een ijzeren staf. En haar kind werd ijlings weggevoerd naar God en zijn troon. 6 En de vrouw vluchtte naar de woestijn, waar zij een plaats heeft van godswege bereid, om daar gespijzigd te worden twaalfhonderdzestig dagen. 7 Toen brak er in de hemel een oorlog uit. Michaël en zijn engelen moesten oorlogen tegen de draak. Ook de draak streed en zijn engelen. 8 Maar zij hielden geen stand en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden. 9 En de grote draak werd neergeworpen, de oude slang, die Duivel en Satan heet, die de hele wereld verleidt; neergeworpen werd hij op de aarde en zijn engelen met hem… 13 En zodra de draak zich op aarde zag neergeworpen, begon hij de vrouw die het mannelijk kind had gebaard, te vervolgen. 14 Maar aan de vrouw werden de twee vleugels van de grote adelaar gegeven, om naar de woestijn te vliegen, naar de plaats voor haar bestemd, waar zij buiten het bereik van de slang wordt gespijzigd een tijd en twee tijden en een halve tijd. 15 Toen spuwde de slang uit zijn muil de vrouw water na, een stroom gelijk, opdat die stroom haar zou meesleuren. 16 Maar de aarde kwam de vrouw te hulp; zij opende haar mond en verzwolg de stroom die de draak uit zijn muil had gespuwd” (Apocalyps 12,1-16).

Na Pinksteren, begon Satan Maria “te vervolgen” (Apocalyps 12,13). We kunnen hier denken aan de kerkvervolging onder Nero (64-68). Maria wijkt uit naar “de woestijn, waar zij buiten het bereik van de slang wordt gespijzigd” (Apocalyps 12, 14). Toen Johannes dit schreef, leefde Maria nog. Maria’s lijdensweg heeft niet bestaan in het martelaarschap, maar in de jarenlange eenzaamheid die zij leed in de woestijn, waar zij van de ene kant niet meer van deze aarde was, en van de andere kant nog niet definitief met God en haar Zoon verenigd was. Dit is de laatste etappe van het geestelijk leven, in de woorden van pater Piet Penning de Vries sj:

Hoe dichter bij de vereniging, des te pijnlijker wordt het gemis voelbaar. Deze diepe en doordringende eenzaamheid, die door de Godservaring niet wordt opgeheven maar juist geaccentueerd, is een troosteloze vereniging te noemen. Beide woorden schijnen elkaar op te heffen, maar hier scheppen zij in elkaar een nieuwe diepte. Deze desolatie doet denken aan die van de Gekruisigde: Hij kon niet anders dan troost zoeken en gezelschap, maar Hij vond ze noch bij de mens noch bij God: hangend tussen hemel en aarde in. De bijzondere Godskennis verhevigt de troosteloosheid”.[10]

Tenslotte, aangekomen op het einde van haar leven op aarde, wordt het verlangen van Maria om bij God en haar Zoon te zijn vervuld.

Het is een dogma van de Kerk, dat Maria met ziel en lichaam in de hemel is opgenomen. Tijdens het Eerste Vaticaans Concilie (1869-1870) hadden 200 bisschoppen om de dogmatische definitie van de lichamelijke ten hemel opneming van Maria gevraagd. In 1950 kondigde paus Pius XII het dogma van Maria’s ten hemel opneming af:

Daarom na telkens en telkens opnieuw onze smeekbeden tot God te hebben verheven en de Geest der Waarheid te hebben aangeroepen: tot glorie van de Almachtige God, die met bijzondere welwillendheid zijn gaven aan de Maagd Maria heeft uitgedeeld: ter ere van zijn Zoon, de onsterfelijke Koning der eeuwen en de overwinnaar op zonde en dood; tot grotere roem van Christus’ eerbiedwaardige Moeder en tot blijdschap en jubel van heel de Kerk; op gezag van Onze Heer Jezus Christus, van de Zalige Apostelen Petrus en Paulus en dat van Onszelf: roepen Wij uit, verklaren en definiëren Wij, dat het een door God geopenbaard dogma is: dat de Onbevlekte Moeder Gods altijd Maagd Maria, na het voltooien van haar aardse levensbaan, met lichaam en ziel tot de hemelglorie is opgenomen”.[11]

Het conciliedocument Lumen Gentium legt dit als volgt uit: “Tenslotte is de onbevlekte Maagd, gevrijwaard van ieder smet van de erfzonde, in het voltooien van haar aardse levensloop, met lichaam en ziel in de hemelse heerlijkheid opgenomen, en door de Heer verheven tot koningin van het heelal, om zo gelijkvormiger te worden aan haar Zoon, de Heer der heren en de overwinnaar van zonde en dood”.[12]

  1. Sint Tomas van Aquino, Suma Teológica, Deel IIIa , Kwestie 27, art. 2, mijn vertaling.
  2. Ibidem.
  3. Paus Pius IX, Ineffabilis Deus, artikel 19.
  4. Theresia van Lisieux, Histoire d’une âme, Manuskript A, blz.38v en 39r, 1898. Mijn vertaling.
  5. Ignatius van Loyola, Geestelije Oefeningen, no. 108.
  6. De Commission on Human Rights had 18 leden: onder andere, Eleanor Roosevelt, de presidente; René Cassin, van Frankrijk, die het eerste ontwerp van de Universele Verklaring schreef; en John Humphrey van Canada, die de eindversie schreef.
  7. Ignatius van Loyola, Geestelijke Oefeningen, no. 116.
  8. Ignatius van Loyola, Geestelijke Oefeningen, nummer 299.
  9. Ignatius van Loyola, Geestelijke Oefeningen, nummer 224.
  10. Piet Penning de Vries, Gebed en Leven, Uitgave “De Heraut”, Nijmegen, 1969, p. 73.
  11. Paus Pius XII, in de Apostolische ConstitutieMunificentissimus Deus.
  12. Tweede Vatikaans Koncilie, Lumen Gentium, 59.

Heeft u vragen over de tekst of wilt u iets delen met pater Auping, dan kunt u mailen naar: [email protected]